Ik heb geen idee welke kant ik op ga, en zolang ik er niet over nadenk, maakt het me eigenlijk ook niet uit. Ik wil alleen maar weg, weg van de mist, weg van hem, weg van zijn woorden. Weg van de manier waarop hij me aankeek, alsof ik degene was die hem verraden had, en weg van de manier waarop zijn lichaam in mist veranderde, net zoals Bo dat deed. Maar zelfs als ik fysiek steeds verder weg zou komen, waar ik door de mist niet zeker van ben, lukt het me niet om afstand te creëren in mijn hoofd.

Ik kan zijn stem horen. De warme, zachte klanken die ineens omslaan in die kille, scherpe toon. Zijn woorden, die ervoor zorgen dat ik mijn wapens wil neerleggen, mijn armen nutteloos naast me wil laten bungelen, niet meer wil nadenken. Het maakt niet uit wat hij zegt. Als hij praat, al is het in mijn hoofd, ben ik machteloos.

Ik kan zijn lach zien. Alle keren dat hij naar me glimlachte, vriendelijk en warm, overschaduwd door die ene keer dat dat diezelfde lach met bloeddorst en haat gepaard ging. Ik kan de twinkeling in zijn ogen zien en het moment dat die doofde. Het is alsof mijn lichaam vergeet hoe het hoort te werken als ik zelfs maar denk aan de lach, aan de sterren, en aan het veel te lege grijs.

Ik kan zijn lichaam voelen. De warmte die hij normaal uitstraalt en de klamme kou die hij vanavond bij zich droeg. De bemoedigende schouderklopjes, zijn hand in de mijne, zijn armen om me heen. Zijn koude vingers op mijn rug, en dan de felle pijn. De gedachte eraan is genoeg om weer kippenvel op mijn huid te laten springen, om te zorgen dat ik mijn balans verlies en struikel over een van de boomwortels.

Het is alsof mijn rug in brand staat als ik weer overeind krabbel en verder ren. Het is niet de scherpe, bonkende pijn van een open wond. Er is geen bloed. Het voelt alsof mijn hele rug bedekt is met blaren, met stukjes verbrande, kapotte huid. Mijn doorweekte shirt plakt er tegenaan, al weet ik niet meer zeker of het nat is door zweet of mist. Maar ondanks de pijn, ondanks het klamme gevoel van het shirt tegen mijn huid, kan ik me nog steeds het gevoel van zijn vingers herinneren, die teder, haast troostend, maar koud over mijn rug glijden.

Alles dat echt lijkt, blijkt dat niet te zijn. De sterren, Daniels lach en koude vingers tegen mijn huid, de beelden en woorden in de mist. Maar hoewel ik weet dat het niet echt is, geloof ik ergens nog steeds dat de sterren me naar huis kunnen leiden. Ik geloof ergens nog steeds dat Daniel een mes in mijn rug gestoken heeft, en dat zijn zachte aanraking echt was, de kille blik in zijn ogen en zijn warme glimlach. Dat als ik hem vind, de echte Day, hij dezelfde dingen zou doen als de verschijning in de mist deed - zoals de verschijning van Aderyn exact deed wat de Beroeps waarschijnlijk gedaan zou hebben. Maar ondanks de brandende pijn in mijn rug als waarschuwing, is de gedachte aan zijn hand in de mijne genoeg om te zorgen dat ik blijf zoeken en blijf rennen.

Toch twijfel ik, om het moment dat eindelijk de boomstam weer opdoemt uit de mist en ik de herkenbare takken zie. Het is alsof de pijn in mijn rug me toe schreeuwt dat ik al die tijd gelijk had. Mijn vertrouwen in Daniel, zelfs als het niet echt mijn bondgenoot was, is hetgene dat ervoor gezorgd heeft dat ik gewond geraakt ben, verdwaald in de mist. Vannacht heeft het me in gevaar gebracht en me ontzettend kwetsbaar gemaakt. Vannacht heeft het me bijna vermoord. Dat de figuur die ik tegenkwam is opgegaan in mist, wil niet zeggen dat er geen waarheid schuilging in zijn woorden.

Het wil niet zeggen dat er geen waarheid zat in Aderyns woorden, ook al is ook zij in mistflarden vervaagd. Ik heb mijn vingers al om de groeven in de schors geklemd als mijn verstand me influistert dat er geen kanon geweest is, ook al moet er flink wat tijd verstreken zijn. Met zowel de gedachte aan hem bloedend op de vloer van de hut in mijn hoofd, als de gedachte aan zijn bezorgde blik toen ik vertrok en het gevoel van zijn mes tegen mijn rug, blijf ik klimmen.

Als ik boven kom en half de hut in struikel, valt mijn blik meteen op de jongen. Hij is niet gewond, en zijn gezicht verraad zijn bezorgdheid, die vermengd met een nerveuze, opgelaten opluchting als hij me ziet. Hij lijkt in alles op de jongen in de mist. Ineens ben ik me pas pijnlijk bewust van hoeveel in tril, van hoe slap en draaierig ik me voel. In een gevecht zou ik geen schijn van kans maken. Toch hou ik mijn kin omhoog en kijk naar hem, hoewel ik zijn oogcontact vermijd, bang om dat vale grijs te zien. De mist heeft me vandaag al twee keer klem gezet. Een derde keer kan mijn hart niet aan. Niet als hij het is.

Ik moet weten dat hij het is - dat hij echt is - ook al weet ik dat ik verdoemd ben als het niet zo is. Ik klem mijn vingers steviger om mijn stok en hou mezelf uit alle macht staande, zo rechtop mogelijk. "Wat heb je bij het camouflageonderdeel op mijn arm geschilderd?" De scherpe, afstandelijke klank van mijn eigen stem laat een rilling door me heen trekken. Het klopt niet met de herinnering vol warmte en glimlachen en stom gegiechel en het gevoel van zijn hand om de mijne.

"Chris!" De jongen staart me even aan, terwijl ieder spoortje van zijn opluchting plaats maakt voor een steeds meer bezorgde frons en duidelijk zichtbare verwarring. "Eh- een boom?" zegt hij aarzelend, maar als hij mijmerend verder gaat, breekt zijn glimlach door. "En een zonnetje. Dat waren de meest herkenbare krabbels." Zijn lach vervaagt weer als hij langzaam een paar stappen mijn kant op zet. "Hoezo? Gaat het wel?"

Ik onderdruk mijn neiging om een stap achteruit te zetten en mijn hand steviger om mijn wapen te klemmen, en loop in plaats daarvan verder de hut in. Dit is echt. Dit moet echt zijn. Ik kan dit niet nog een keer aan. Ik hoef het ook niet nog een keer aan te kunnen. Day gaf het juiste antwoord. Het is echt. Ik laat mijn vingers over mijn onderarm glijden, alsof de schildering er nog steeds zit. Voor eventjes is het alsof ik de warmte van zijn geschilderde zon kan voelen, en hoewel het voelt alsof ik zou moeten glimlachen, voelt het alsof ik alleen nog maar kan huilen. Ik krijg geen woorden uit mijn keel, geen fatsoenlijk antwoord. Nee, het gaat niet. Ik wil hier weg. Ik wil naar ergens anders, waar dan ook. Ik wil naar huis. Maar het enige antwoord dat ik de jongen geef, is kort mijn schouders ophalen.

"Chris," zegt Day nogmaals, zachter dit keer, maar nog altijd even bezorgd. "Wat is er gebeurd?"

Een klein deel van mij wil weer snikkend in elkaar zakken, bij hem uithuilen en hem vertellen wat er precies gebeurd is. Het wil hem vertellen wat ik gezien en gehoord heb, hoe ik gewond ben geraakt. Ik wil hem vertellen hoe bang ik was dat Aderyn hem had vermoord. Maar meer dan dat het alles zou willen vertellen, is dat deel van mij doodsbang. En dus geef ik mijn bondgenoot niet de uitleg waar hij recht op heeft, steek ik mijn hand niet naar hem uit en stort ik me niet in zijn armen. "De Hongerspelen," antwoord ik alleen maar, terwijl ik mijn deken opraap en een hoekje van de hut zoek waar ik kan gaan liggen. Heel vaag ben ik me bewust van Amelia, die nog altijd opgekruld in de verste hoek van de hut ligt, en van Ada, die half overeind zit en met een frons naar me staart.

Ik voel de onderzoekende blik van Jade branden, maar kan de energie niet opbrengen om me tot haar te richten en haar te vragen om me alsjeblieft gewoon met rust te laten. Ik wil geen discussies, niet met haar, niet nu. Niet over het mes in mijn mouw, niet over het feit dat ik mijn post verlaten heb, niet over alles wat ik al tegen haar gesnauwd heb en al helemaal niet over wat ik diep vanbinnen nog meer zou willen snauwen.

Tot mijn opluchting lijkt het meisje het te begrijpen, want ze scheurt haar blik van me los en richt zich tot haar districtsgenoot. "Ik ga ook even pitten, goed?" zegt ze, terwijl ik de deken om me heen sla en een positie zoek om te kunnen liggen en slapen die zo min mogelijk pijn doet, waardoor ik half zittend en nog steeds met helse pijn eindig. Jade legt haar hand op Days schouder. "Maak je niet te veel zorgen, dan lok je alleen maar mist." Ze grijnst naar hem, ondanks de serieuze toon in haar stem. "Ik zal een van de meiden naar buiten sturen voor de wacht." Ze laat haar blik weer even op mij rusten, maar loopt dan naar Ada.

Ik laat me verder onderuit zakken, op mijn buik, en kreun zachtjes als mijn trillende spieren eindelijk wat rust krijgen. Ik kan Days bezorgde blik voelen, maar negeer het. Ik wil niet opkijken, ik wil niet meer denken aan hem, of aan de mist, of wat dan ook. Ik wil gewoon in slaap vallen en voorlopig niet meer wakker worden. Maar met mijn brandende rug en bonzende, angstige hart, voelt het niet alsof ik ooit nog zou kunnen slapen.

Reacties (2)

  • Incidium

    Maar meer dan dat het alles zou willen vertellen, is dat deel van mij doodsbang
    damn
    Chris is de mist uit, whoo:D
    ik hoop dat Days wacht minder desastreus verloopt?

    3 weken geleden
    • Samanthablaze

      "minder desastreus" is in dit geval gelukkig een vrij lage lat

      3 weken geleden
  • Duendes

    Het maakt niet uit wat hij zegt. Als hij praat, al is het in mijn hoofd, ben ik machteloos.

    Awh gosh Chris lieverd nee awh shit nu gaat dit zich verweven met de echte herinneringen aan Day en dat is pijnlijk shit

    Mijn vertrouwen in Daniel, zelfs als het niet echt mijn bondgenoot was, is hetgene dat ervoor gezorgd heeft dat ik gewond geraakt ben, verdwaald in de mist. Vannacht heeft het me in gevaar gebracht en me ontzettend kwetsbaar gemaakt. Vannacht heeft het me bijna vermoord.

    Dat is een naar besef want eh shit het is wel waar maar dat ligt helemaal niet aan Day awh ze zijn cuties samen en hun bondgenootschap is belangrijk en wholesome maar au

    Het is zo pijnlijk dat hij het ergens graag wil vertellen en gewoon weer wil gaan uithuilen bij Day, maar het nu niet meer durft shit verdorie Capitool ughh arme kindjes gosh

    3 weken geleden
    • Samanthablaze

      Jep, zeker nu hij zo van streek is, het is heel lastig om in zijn hoofd de scheiding te maken tussen wat echt is en wat niet want het lijkt teveel op elkaar
      Maar Chris ziet nu wel bevestigd dat zijn vertrouwen ook heel schadelijk kan zijn, dat het hem een zwakte geeft, zelfs als Day niet degene is die hem kwetst. Tegenover mist-Aderyn werkte het ook
      Jep dus nu heeft hij even helemaal niemand, want Bo is dood en uithuilen bij Day is heel erg moeilijk nu

      3 weken geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen