Hoewel ik uiteindelijk toch in slaap val, heb ik niet het gevoel dat ik iets van rust gekregen heb als ik weer wakker wordt. In mijn dromen ben ik niet langer ingesloten, maar nog altijd ondergronds. Ik ben in het labyrint, ren door instortende gangen, alleen. En overal hoor ik zijn stem, de warme en koude klanken die met elkaar botsen. In mijn dromen onweert het de hele nacht.

Als ik wakker wordt, is zijn stem er nog steeds, maar is de hemel helder en is de kou van de nacht en de mist volledig verdwenen. Met de zon steeds hoger aan de hemel en een flink portie fruit als ontbijt, lijkt het voor even alsof vannacht enkel in mijn hoofd bestaan heeft. Alles is kalm, zo perfect als maar kan in de Hongerspelen. Toch lukt het me niet om kalm te blijven zitten, om van de stilte te genieten en nog wat uit te rusten. In mijn hoofd raast het onweer door, en dondert het iedere keer als ik zijn stem hoor.

Ik voel Jades blik branden, alsof ze al mijn bewegingen scherp in de gaten houdt. Als ik haar aankijk, is haar blik peilend, onderzoekend, maar zonder haar kenmerkende, uitdagende grijns. De boodschap is duidelijk: ze is ons gesprek van gisteravond niet vergeten. Haar woorden gelden nog steeds. Als ik Day niet over mijn wapen vertel, doet zij het. En hoewel ik misselijk wordt van de gedachte aan Days geschrokken of teleurgestelde, verraden gezicht als ik zelf opbiecht het voor hem verborgen te hebben gehouden, weet ik dat het duizend keer erger is als hij het van Jade moet horen. Het mes voelt loodzwaar aan in mijn mouw. Ik moet het Day vertellen, of het laten zien. Ik moet iets, voordat Jade het heft in eigen handen neemt.

Ik bijt op mijn lip en wend mijn blik af. Nee. Ik laat me niet door haar onder druk zetten. Dit zijn haar zaken niet. Ze heeft het recht niet om zich ermee te bemoeien, en ze heeft het recht niet om me te chanteren. Zonder haar aan te kijken, klem ik mijn hand steviger om mijn stok, draai die om in mijn hand en maak een subtiele, maar dreigende zwaai Jades kant op. Hopelijk is het genoeg om duidelijk te maken dat ik haar er niet mee weg laat komen als ze Day iets vertelt. Ik zet het haar betaald.

Na een tijdje proberen Jades blikken en de eindeloze kalmte in de arena te negeren, lukt het me niet meer om stil te zitten. Ik grijp mijn stok vast en gebaar ermee naar Day, die verbaasd opkijkt. "Zin in een beetje ochtendgymnastiek?"

Day glimlacht scheef naar me en legt zijn houtsnijwerk aan de kant. "Welke risico's zijn daaraan verbonden?"

"Wat blauwe plekken, misschien wat schrammen." Ik trek een mondhoek op en maak een uitdagend gebaar. "En er is een hele kleine kans op een pijnlijke dood - dat ga ik niet ontkennen." Hoewel ik het zo luchtig mogelijk laat klinken, ben ik er meteen niet meer zo zeker van of dit wel een goed idee is. Ik wil niet met Day vechten. Ik wil niet meer aan vannacht denken. Maar mijn vingers jeuken om iets te doen, zodat ik mijn gedachten uit kan schakelen. Misschien dat een gevecht met hem geen herinneringen aan vannacht oproept. Misschien kan ik voor even alles vergeten.

Mijn bondgenoot lijkt echter geen groot fan van dat idee. Day steekt afwerend zijn handen omhoog en schudt zijn hoofd, met een droge grijns op zijn gezicht. "Ik denk dat ik deze keer dan toch maar pas," zegt hij. "Ik ben nog aan het bijkomen van de vorige keer."

"En ik heb je nog wel zo gespaard toen." Ik grijns terug naar hem en geef hem een zachte por tegen zijn borst met mijn stok. "Wat stel jij dan voor dat we doen?"

"Ja, ja," lacht Day. Hij rolt met zijn ogen en duwt mijn stok aan de kant. "Mijn persoonlijke voorkeur zou uitgaan naar een activiteit met iets minder risico's, denk ik."

"We zitten in de Hongerspelen, dus dat gaat hem niet worden." Ik kan in ieder geval niets bedenken dat geen risico's heeft, maar wel mijn gedachten uit kan schakelen. Ik moet adrenaline voelen. De relatieve kalmte van de dagen hier, met de wetenschap dat er altijd gevaar op de loer ligt, maakt me gek. Ik moet íéts doen. "Heb je een tweede voorkeur?" Ik trek een wenkbrauw naar hem op.

"Verveel je je?" Day leunt kalm achterover, maar op zijn voorhoofd verschijnen de rimpels van een bezorgde frons. Even kijkt hij me aarzelend en peilend aan, maar dan verschijnt er weer een glimlach op zijn gezicht. "Misschien is het dan toch tijd om aan die tijdmachine te beginnen."

Ik geef hem een flauwe glimlach terug. "Als we Parveen tegenkomen, zal ik hem om instructies vragen, maar mijn talenten liggen niet echt op technisch vlak."

De jongen knikt instemmend. "Dan bewaren we dat plan voor later," antwoordt hij ernstig, maar zijn ogen twinkelen vrolijk. "Hebben we nog andere mogelijkheden?"

"Geen idee." Ik haal mijn schouders op en kijk om me heen. Ik wil iets stompen, of op zijn minst bewegen, moe worden, iets doen. Maar geen enkele optie is echt ideaal. Het enige dat ik kan bedenken is een rondje hardlopen, en dat klinkt nou ook niet bepaald aantrekkelijk. "Willen we misschien een boomhut met een zwemba-" Ik zwijg abrupt en kijk op, als ik de vage ruis van onverstaanbare stemmen hoor.

Meteen is Days bezorgde frons terug, en gaat hij alert wat meer overeind zitten. "Wat is er?" vraagt hij op gedempte toon, terwijl hij door de ingang van de hut naar buiten probeert te kijken.

Ik gebaar dat iedereen stil moet zijn, ook al was het gesprek tussen Ada en Jade inmiddels al verstomd, en loop voorzichtig richting de ingang van onze hut, met mijn stok stevig in mijn hand geklemd. Als ik naar de diepe stemmen luister, schiet Bo door mijn hoofd. Maar hoe graag ik het ook zou willen, ik ren niet naar buiten. Ik weet dat het Bo niet is. Het kan Bo niet zijn.

Als ik voorzichtig door de ingang van de boomhut naar buiten gluur en de jongens spot, in hun afschuwelijke blauw-groenige shirts, bijt ik op mijn lip. Langzaam, om zo min mogelijk geluid te maken, draai ik me om naar Day. "Het lijkt erop dat we niet langer de enigen zijn die deze plek kennen," fluister ik. "Samuel en Florian zijn hier." Voorzichtig zet ik een paar stappen dichter naar de ingang, zodat ik de jongens beter in de gaten kan houden, terwijl ook Day langzaam overeind kom en naast me komt staan. Hoewel zijn gezicht nog altijd een en al kalmte uitstraalt, kan ik zijn spanning voelen. Aarzelend zet ik een klein stapje opzij, creëer meer afstand tussen ons. Het brandende gevoel in mijn rug is een pijnlijke waarschuwing.

Vanaf de grond klinkt half verstaanbaar gemompel, waarbij Florian van Samuels speer naar de boom gebaart. De jongens klimmen over de wortels heen, richting de stam - richting ons - en kijken om zich heen. Snel zet ik een kleine stap achteruit, maar het lijkt niet echt uit te maken. De jongens zien ons niet. Ze kijken niet echt omhoog. In plaats daarvan gebaart Samuel met zijn speer naar de grond tussen hun voeten - de plek waar we gisteravond gegeten hebben. Ik dacht dat Ada, in al haar nervositeit, alles opgeruimd had, maar schijnbaar zijn er toch wat schillen, wat pitten, of wat dan ook blijven liggen. We hebben een spoor achtergelaten. Ze weten dat ze niet alleen zijn. “Iemand was ons voor, zo te zien.”

Het liefste zou ik naar buiten stormen, hen snel weer wegjagen. De jongens moeten haast wel gewond zijn - ervan uitgaande dat zij inderdaad degenen waren die Naeve vermoord hebben. Aderyn zou hen er nooit heelhuids vanaf laten komen, en Naeve zou echt niet zomaar neer gaan zonder gevecht. Misschien zijn ze nu wel helemaal niet klaar voor een gevecht. Misschien zijn ze hongerig, gewond en moe. Dan is dit onze kans om hen uit te schakelen, of in ieder geval weg te jagen en te zorgen dat ze niet terugkomen. Langzaam hef ik mijn stok op. Het is vijf tegen twee. We kunnen dit winnen.

Ik bevries als ik Days hand op mijn schouder voel - gevaarlijk dicht bij de brandende wonden op mijn rug. Meteen voel ik de drang om zijn hand weg te slaan, om mijn stok te heffen, mezelf te verdedigen. Maar Day heeft zijn bijl losjes in zijn hand en laat het wapen op de grond rusten. Hoewel hij meer gewapend is dan de verschijning in de mist, is niets aan hem ook maar een beetje dreigend. De jongen schudt langzaam zijn hoofd en trekt zijn hand terug. "Nog niet," zegt hij zacht, "misschien is het niet nodig."

Met tegenzin blijf ik staan, terwijl ik de twee jongens scherp in de gaten hou. We hebben een aanvalsplan nodig, een strategie. Als ze echt gewond zijn, zijn we met genoeg man om hen allebei te overmeesteren. We zouden hen allebei uit kunnen schakelen - het sterkste team in de arena. We zouden de strijd weer gelijk kunnen trekken, in kunnen gaan tegen de belachelijke keuze van het Capitool om de meest oneerlijke tweetallen ooit samen te stellen. We zouden ons bescheiden fort kunnen verdedigen en tegelijk onze overlevingskansen kunnen vergroten. Maar we hebben een goed plan nodig, en juist nu blijft mijn hoofd leeg.

Als Florian zijn handen en voeten tegen de stam zet en langzaam en stuntelig, maar gestaag omhoog begint te klimmen, onder de dekking van zijn bondgenoot, maakt dat hele plan me niet meer uit. Hij mag niet boven komen. Als hij ons hier vindt, in de hut, zijn we niet alleen het voordeel van onze hoge positie kwijt. We zouden opgesloten zitten. Ineens zou het niet echt meer uitmaken met hoeveel we zijn en dat we waarschijnlijk minder gewond zijn dan zij. Ik ga niet op mijn dood zitten wachten - dat nooit.

Ik negeer Day, die met zijn hoofd schudt en gebaart dat ik wel moet wachten, en stap de hut uit. Meteen als ik buiten sta, besef ik me mijn vergissing. In een goed plan was ik nooit als eerste naar buiten gegaan. In een goed plan hadden Jade en haar werpmessen een verrassingsaanval geopend, en mij en Day de dekking gegeven die we nodig hadden om dichtbij te komen. Vanaf deze afstand kan ik niets met mijn stok, zelfs niets met mijn mes. Ik heb het voordeel van een verrassingsaanval opgegeven, zonder dat het ons iets oplevert.

Snel laat ik mijn blik over de twee tributen heen glijden. Zover ik nu kan zien, zijn ze niet half zo gewond als ik gehoopt had. Florian is bedekt met zand, dat wel, dus waarschijnlijk heeft hij van dichtbij kennis gemaakt met de grond, maar die ontmoeting lijkt hem niet echt veel te deren. Samuel, daarentegen, heeft een scheur in zijn broekspijp en op de stof zit een donkere, bruinige vlek. De jongen is wel degelijk gewond, maar kan nog wel op zijn been lopen. Als het ons al een voordeel geeft, is dat voordeel veel te klein. We hebben een probleem.

Ik druk mezelf tegen de stam aan en zet langzaam weer een stap achteruit, bang dat een plotselinge beweging de aandacht van de jongens trekt. Maar hoe subtiel ik ook probeer te zijn, het maakt niet meer uit. Florian kijkt op, en zijn blik treft mij. "Dus jij bent het," zegt hij, op de toon van iemand die zo'n stevig ochtendhumeur heeft, dat het je de loop van de dag niet overgaat. Hij zou het vast goed met Ada kunnen vinden. De jongen is hier echter niet gekomen om nukkige vrienden te maken en samen te gaan zitten mokken. Hij werpt me een dreigende blik toe en gebaart naar zijn teamgenoot, die met zijn speer in zijn hand omhoog staart. "We kunnen je hebben, dus ga weg voor we je iets aandoen."

Ze weten niet dat ik niet alleen ben. Een golf van opluchting gaat door me heen, als ik me dat besef. Jamaia is dood, en Day zit nog altijd veilig verborgen in de hut. Ze kunnen niet weten dat hij en Amelia er zijn, en zelfs als ze dat al zouden raden, zouden ze nog steeds verrast kunnen worden door Jade en Ada. Een zelfverzekerde grijns vormt zich op mijn gezicht. Dus ik ben nu de afleiding. Het is geen meesterplan en het vergt een hoop improvisatie, maar ik weet hoe snel en lichtvoetig Jade kan zijn. Als er iemand in staat is om hen in een verassingsaanval uit te schakelen, plotseling een stilletjes, is zij het wel. "Moet ik nou bang worden voor een boer en een jongen die over een komkommer uitgleed?" vraag ik uitdagend, terwijl ik over de tak bij de hut vandaan loop, richting Florian. Kijk naar mij. Alleen naar mij. "Geloof je het zelf?" Ik hef mijn stok een stukje op, maar nog zonder een dreigend gebaar te maken. De jongen is nog buiten mijn bereik, en ik moet ze bezig zien te houden. Hoewel ik naar mijn teamgenoten zou willen kijken en seinen wat het plan is, draai ik niet om. Ik mag geen aandacht op hen focussen. Ik kan alleen maar hopen dat ze het begrijpen.

"Bang of niet, scheer je weg," snauwt Florian me toe, terwijl hij langzaam verder omhoog klimt, met zijn blik strak op mij gericht.

"Dat kan ik beter tegen jullie zeggen," antwoord ik, terwijl ik over de takken zijn kant op klim. Hoewel ik weet dat ik bij lange na niet intimiderend genoeg klink om de jongens echt weg te jagen, is het een poging waard. "Dit is mijn plek, donder op." Ik por met mijn stok naar Florians handen, in een poging te zorgen dat de jongen loslaat en naar beneden valt.

Maar de tribuut houdt zich stevig vast aan de boom, terwijl hij met een andere hand probeert mijn stok vast te grijpen. "Je moet eens leren om te delen, jij," gromt hij. "Je familie ook: één winnaar is genoeg."

Ik stop met nadenken, maar het is niet op de goede manier. Het zijn niet de pijnlijke herinneringen die verdwijnen, niet mijn angsten, mijn verwarrende, nerveuze gevoelens, maar mijn zelfbeheersing en mijn logica. Zo hard als ik kan haal ik met de stok uit naar Florians hoofd, maar ik raak enkel de stam van de boom. "Ik heb hier niet om gevraagd en Luna al helemaal niet," bijt ik hem toe. Hij heeft het recht niet om zo over ons te praten. Hij heeft het recht niet om de werkelijkheid zo te verdraaien, dat het is alsof dit is wat we wilden. Alsof zij maar wat graag voor een leven heeft gekozen waarin ze een moordenaar is. Alsof ze net zo is als zijn vriend. "Je hebt geen idee waar je het over hebt, klootzak." Ik grijp zijn shirt vast en zet me af tegen de tak waar ik op stond. Heel even kan ik vliegen en is het alsof alles goedkomt. Het volgende moment storten we allebei naar beneden.

Hoewel Florian het grootste gedeelte van de klap voor me opvangt, doet mijn lichaam aan alle kanten pijn en schieten de tranen in mijn ogen als ik voel hoe de pijnscheuten door mijn rug trekken. Snel kruip ik opzij, van Florian af, maar de wereld draait en mijn spieren trillen, en het lukt me niet om mezelf weer overeind te hijsen.

"Je hoorde het. Ga weg en laat ons met rust." Als ik opkijk, torent Samuel boven me uit, met zijn speer dreigend in zijn hand. Het is alsof ik weer in de mist ben, met Aderyn tegenover me, en ik besef me dat in dit geval één rake klap nooit voldoende zal zijn om te kunnen ontsnappen. Ik hou het nog geen minuut uit tegenover deze jongens. Ik krimp ineen en hef verdedigend mijn stok op, maar mijn vingers trillen en mijn hart bonkt in mijn keel. De blik in Samuels ogen zegt genoeg. Ik ga hier dood.

Reacties (2)

  • Incidium

    dus waarschijnlijk heeft hij van dichtbij kennis gemaakt met de grond
    pff nee dit is een bewuste stijlkeuze natuurlijk:D
    Heel even kan ik vliegen
    gedachten die door Chris' hoofd gaan, een moment voordat rampspoed toeslaat
    De blik in Samuels ogen zegt genoeg. Ik ga hier dood.
    graag gedaan <3
    ik ben super hyped voor deze confrontatie. Het begin is 10/10

    2 weken geleden
    • Samanthablaze

      Ah ja dit wordt de nieuwe fashion trend obviously
      As always. Chris die dramatisch springt, omlaag kijkt en zich realiseert dat hij een probleem heeft
      Ja dit is heerlijk. Wat een sukkels. Meanwhile is Ada aan het chillen in de hut

      2 weken geleden
  • ZainaSwift

    (Y)

    2 weken geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen