Als Amelia in slaap valt, maak ik haar niet wakker. In plaats daarvan blijf ik naar buiten staren, mezelf gek maken met alle schimmen die ik denk te zien. Telkens weer een felgroene glimp, alsof mijn districtsgenote door de mist rent. Maar hoewel iets in me schreeuwt om naar beneden te klimmen en achter haar aan te rennen, haal ik diep adem en knijp in het hout van mijn stok om gefocust te blijven. Wat je in de mist ziet, is onbetrouwbaar. De kans is groot dat het Capitool me gewoon bij de rest vandaan probeert te lokken. Als ze iets dergelijks gisteren geprobeerd hadden, had het zonder twijfel gewerkt. Maar nu is alles anders. Ik weet heel goed dat het slechts een impuls is, en dat het me alleen maar in gevaar zal brengen. Toch laat de gedachte aan Ada, struinend door het duister met onze spullen, me maar niet los.

Ergens verwelkom ik de onrust. Het houdt me wakker en biedt me afleiding van de loodzware stilte, die met iedere verstrijkende minuut benauwder wordt. Toch kan het de vermoeidheid niet eindeloos op afstand houden. Uiteindelijk voelen mijn oogleden zwaar, begin ik te rillen en veranderen de schimmen in de mist in wazige vlekken.

Als mijn stok uit mijn hand glijdt en op de vloer van de hut klettert, schrik ik op, mijn hart bonzend in mijn keel. Als ik hier in slaap gevallen was, was er niemand meer geweest die ons zou beschermen. Ik bijt op mijn lip en laat mijn blik naar Day glijden. De jongen is inmiddels in diepe slaap, traag ademend en ontzettend kwetsbaar. In al zijn kalmte, lijkt het alsof de afgelopen dag nooit gebeurd is. Het idee dat ik de jongen uit die fijne droomwereld moet trekken, laat een bittere smaak achter in mijn mond, die ik snel weer weg slik. Ik heb Day al veel langer laten slapen dan eigenlijk verstandig was. Mijn poging om hem wat meer rust te gunnen, mag er niet voor zorgen dat we allebei dood eindigen.

"Danny?" Ik kniel naast de jongen neer en schud hem zachtjes wakker. "Zou jij de wacht over kunnen nemen?" Mijn stem hapert bij ieder woord en verraadt zo mijn vermoeidheid, tot mijn ergernis. Als het even zou kunnen, zou ik willen dat ik voor één keer geen enorme puinhoop zou lijken, maar die kans lijkt verkeken.

Day komt overeind en wrijft versuft in zijn ogen, maar als hij knipperend zijn blik op mij richt, verschijnt er meteen een bezorgde frons op zijn gezicht. "Chris, gaat het wel?" vraagt hij, ineens klaarwakker. "Hoe laat is het? Heb je-" Hij maakt zijn vraag niet af en schudt zijn hoofd als hij de vermoeidheid op mijn gezicht herkent. Meteen kruipt hij onder de deken uit en legt die over mijn knieën heen. "Ja, natuurlijk," beantwoordt hij mijn vraag dan. "Ga snel slapen."

Ik haal halfhartig mijn schouders op, als de vermoeidheid met de warmte van de deken nog sterker over me heen spoelt. "Ik heb geen klok hier," probeer ik mijn beslissingen te verdedigen, maar alle letters en woorden vloeien in elkaar over, waardoor het nauwelijks verstaanbaar is. Ik ril en trek de deken verder over me heen, terwijl ik naast de ingang op de grond ga liggen en mijn knieën optrek. "Maak me maar weer wakker als het licht wordt, of als je eerder moe wordt."

Mijn bondgenoot gaat naast me zitten en werpt me een warme glimlach toe, terwijl hij zijn hand voorzichtig op mijn schouder legt. "Komt goed," zegt hij sussend. "Ga maar snel slapen." Hoewel ik de woorden hoor, kan mijn hoofd nauwelijks de betekenis ervan ontcijferen. Ik luister enkel nog naar de warme, diepe klank van zijn stem, alsof het een kalm lied is, en ik voor even niet meer in de arena ben.

In mijn dromen, ver van Day, vervaagt die kalmte echter al snel. Want alles wat ik kan zien is de smetteloos witte zaal en de priemende blik van mijn vader, als hij me de lange lijst geeft van alles wat ik vandaag anders had moeten doen. Pas als ik mijn hoofd voel bonzen, besef ik me dat mijn vader me niet aan het vertellen is hoe ik Jade had kunnen redden. Bloed druppelt op mijn schoot, en als ik mijn vingers naar mijn hoofd breng, voel ik geen huid - enkel bloed, enkel bot. Angstig hef ik mijn hoofd weer op, om mijn vader te zeggen dat ik mezelf niet kan behandelen - dat ik zijn hulp nodig heb, dat ik doodga als hij me niet helpt. Maar de smeekbede die ik eruit flap, bereikt het hardvochtige gezicht van mijn vader niet. In plaats daarvan kijk ik in de kille ogen van Samuel, die een tevreden grijns niet kan onderdrukken. Ik ben niet langer op onze operatiekamer - misschien ben ik dat wel nooit geweest. In plaats daarvan lig ik op de grond, in het zand, terwijl de Beroeps boven me uit torent. Ik hef mijn handen op om mezelf te verdedigen, maar als Samuel met opgeven speer om me neerkijkt, bevries ik. Zijn ogen zijn niet bruin - ze zijn grijsgroen, en er woedt een storm als nooit tevoren, op het moment dat hij de speer laat neerkomen.

Nat van het zweet en met een bonzend hart schiet ik overeind, tastend naar mijn stok, die ik niet binnen handbereik vindt. In de seconde die het me kost om naar adem te happen, is de herinnering aan alles wat ik gezien heb vervaagd. Niets daarvan was echt - deze keer weet ik het zeker. Toch weigert mijn lichaam te geloven dat het gevaar geweken is, en blijf ik trillend zitten.

"Nachtmerrie?" De zachte klank van Days stem verraadt dat de jongen de vraag niet eens had hoeven stellen. Als er iemand is die dit begrijpt, is hij het wel. "Gaat het?"

Ik speur de vloer van de hut af naar mijn wapen, en als ik mijn vingers om het klamme hout sluit, lukt het me eindelijk om een klein beetje van mijn spanning uit te ademen. Snel trek ik de stok tegen me aan, terwijl ik langzaam uitadem. Voor even voelt de arena de veiligste plek op aarde, en ben ik dankbaar om hier te zijn in plaats van thuis, waar ik me altijd enkel met woorden mocht verdedigen. Dat gevoel verbrijzeld echter onmiddellijk als ik mijn schouders ophaal en me naar Day omdraai. Niets aan de blik van de jongen is dreigend - integendeel: het is kalm, maar ook warm en bezorgd. Toch laat de aanblik van zijn ogen een rilling over mijn rug trekken, en kan ik voor even de storm in zijn blik zien, voor ik me realiseer dat die er helemaal niet is. Er is niets. Het is niet echt. "Wat je zou verwachten," mompel ik, als zwak antwoord op zijn vraag.

"Ik snap het." Als ik Days trieste glimlach zie, weet ik dat dat waar is. Die emotie verdwijnt echter al snel, als de jongen me even peinzend aankijkt. "Misschien kun je beter je jas uitdoen of zonder deken slapen?" suggereert hij. "Dan is het wat minder warm en dat helpt misschien een beetje tegen de nachtmerries."

"Het kan hier ineens best koud worden 's nachts." Te snel. Ik bijt op mijn lip, als ik me besef dat ik mijn excuus er veel te snel uitflapte. Snel wend ik mijn blik af, in de hoop de paniek die door me heen schiet te maskeren, en trek de arm waaraan mijn mes gebonden zit dichter naar me toe. Door de ingang van de hut schijnt inmiddels bleek zonlicht naar binnen, maar het is niet het heldere, warme ochtendlicht van de afgelopen dagen, dat de hele vlakte beschijnt. In plaats daarvan belicht het enkel een dikke wal van mist, die nog niet is opgetrokken. "Het maakt ook niet uit," mompel ik. Ik kan niet meer slapen, en dat wil ik ook niet. "Het is toch al ochtend." We hebben alweer een nacht overleefd. Als straks de mistflarden vervagen in het zonlicht, kunnen we voor een paar uur enigszins rustig ademhalen.

Day fronst echter. "Dat klopt, maar de mist trekt nog niet echt op en je hebt nog niet heel lang geslapen," begint hij, op de voorzichtige, maar bezorgde toon die Luna regelmatig gebruikt als ze vindt dat ik een dom idee in mijn hoofd gehaald heb en beter naar haar zou moeten luisteren. "Probeer nog wat te slapen," zegt hij. "We kunnen toch niets met deze mist."

"Het trekt al op." Als ik naar buiten kijk, weet ik dat dat nog niet echt het geval is, maar ook dat het niet lang meer kan duren. Het is nog vroeg op de ochtend - misschien zijn de spelmakers gewoon nog niet helemaal goed wakker, of hebben ze een kater nadat ze gisteravond gevierd hebben dat ze weer een flink aantal levens verwoest hebben. Als ik het maar stellig genoeg beweer, misschien hen er zelfs aan herinner dat ze de mist nog weg moeten halen, wordt het misschien vanzelf de waarheid. "Ik kan toch niet meer slapen," voeg ik eraan toe - dat is in ieder geval waar. Met een zachte zucht vouw ik de deken op en trek mezelf met behulp van mijn stok overeind. "Ik ga ik Ada zoeken." Zodra de mist weg is, kan het meisje veel sneller wegkomen. Als ik haar in wil halen, moet ik nu beginnen - en hopen dat de mist haar voldoende heeft afgeremd om een inhaalslag nog mogelijk te maken. Ik haal onze spullen terug.

"Je gaat- wat?" Day knippert stomverbaasd met zijn ogen, alsof ik hem net verteld heb dat hij een tovenaar is en dat ik hem ga meenemen naar een magische school, of zoiets onzinnigs. Die verbazing maakt echter al snel plaats voor een ernstige frons, als hij snel overeind krabbelt. "Chris, dat lijkt me geen goed idee. We kunnen beter wachten-"

"En haar hiermee weg laten komen?" Ik schud mijn hoofd en zet mijn stok stevig op de grond, waarna ik Day met net zoveel verbazing aan staar. Ik weet dat de jongen niet bepaald om actie staat te springen, maar dit is anders dan gisteren. Ik stort me niet nog eens in een zinloos gevecht. Hiermee kunnen we terughalen wat Ada van ons heeft afgepakt. "Ze steelt onze overwinningskansen," help ik hem herinneren. "Dat laat ik niet gebeuren. Ik haal onze spullen terug en-" Mijn stem sterft weg en ik bijt op mijn lip. En wat? In gedachten sta ik voor het meisje, heb ik haar ingehaald en in een hoek gedreven, onze spullen teruggepakt. In gedachten is het zij en ik en mijn wapen. Het zou simpel moeten zijn. Het is ook simpel. In de Hongerspelen zijn er geen goede of slechte keuzes - enkel keuzes die je in leven houden en keuzes die dat niet doen. Het is ontzettend simpel. Als ik mijn districtsgenote tegenkom, nadat ze ons verraden en bestolen heeft, en die kille, confronterende blik in haar ijsblauwe ogen zie, is het ontzettend simpel. We komen er eindelijk achter of ik al die tijd het monster was dat zij in me zag. Ik hoef nu nog geen antwoord te hebben - ik hoef haar alleen maar te vinden. Ik haal diep adem, voel de randen van mijn vechtstok in mijn huid drukken en besef me hoe hard ik erin knijp. Toch ontspan ik mijn hand niet. Ik verwelkom alle emoties, al mijn woede. En als ik haar vind, is het allemaal voor haar.

Mijn bondgenoot lijkt echter bepaald niet blij met dat idee. De jongen kijkt me hoofdschuddend aan, met grote ogen, die nerveus heen en weer schieten tussen mij en de vlakte. "Maar hoe wil je haar vinden in de mist?” vraagt hij. “Het is te gevaarlijk." Hoewel hij zijn stem verheft, klinkt ieder woord minder zelfverzekerd, tot het geluid trillend wegsterft. Misschien is het simpelweg angst. Dat kan ik de jongen niet kwalijk nemen - ook mijn hart bonst in mijn keel, en hoe hard ik ook probeer om stevig op mijn benen te blijven staan, het voorkomt niet dat ik tril. Maar ik ben het zat om bang te zijn. Dat genoegen gun ik het Capitool niet.

"Het is niet zo dicht meer, en het is ochtend, dus het wordt alleen maar minder nu," probeer ik de jongen gerust te stellen, terwijl ik de deken opvouw en in de hoek van de hut leg. Als ik naar de ingang loop en over de vlakte tuur, zie ik echter enkel de witte damp, nog altijd als een dikke, natte deken die het gras en de vlakte aan mijn zicht onttrekt. Het komt gewoon door het zonlicht, spreek ik mezelf moed in, het lijkt erger dan het is. Bovendien, het zijn maar illusies. Niets daarvan is echt. Ik wend mijn blik af van de mist, terug naar Day."Iedere seconde die we wachten, wordt de kans dat ze ontsnapt groter."

Op het moment dat ik naar buiten wil stappen, klemt Days hand zich om mijn arm, met een kracht die ik herken van het gemak waarmee hij zijn bijl hanteert - maar die hij in zijn duels met mij nooit lijkt te bezitten. Ik bevries als ik zijn vingers tegen de stof van mijn jas voel drukken, en mijn adem stokt als ik zijn stem hoor. “Wacht nou even, Chris,” zegt hij, zacht om zijn teamgenote niet wakker te maken. Maar hoewel hij resoluut klinkt, is iedere schijnvertoning van kalmte verdwenen. Days stem beeft en hapert voor hij mijn naam uitspreekt - nog altijd warm, maar vol bezorgdheid, vol angst. Het laat een ijskoude rilling over mijn rug lopen. “We kunnen haar gaan zoeken als de mist weg is. Niet nu.”

Met een ruk draai ik me naar de jongen om en kijk hem recht aan, waarop zijn greep om onmiddellijk verslapt, tot het niet meer is dan een zachte, voorzichtige aanraking. Langzaam trek ik mijn arm terug en stap buiten zijn bereik. Mijn stok plant ik stevig naast me op de grond, bang dat ik zonder de steun van mijn wapen door mijn knieën zak. Ik voel me nog niet half zo sterk als ik zou willen. Toch schrik ik van mijn eigen, kille stemgeluid als het door de stilte galmt. "Als we daarop wachten, vinden we haar nooit meer." Dat is een feit waar we allebei niet omheen kunnen. Maar als ik zie hoe Days lip begint te trillen en mijn bondgenoot zijn blik afwendt, keer ik hem de rug toe. "Ik ga ook niet van je vragen of je meegaat." De woorden steken als ik ze uitspreek, maar voor een nieuwe golf van twijfel me kan overvallen, loop ik naar buiten en begin aan mijn klim omlaag. Het zou niet eerlijk zijn om van Day te verwachten dat hij de mist in loopt. Ada mag dan van ons hele bondgenootschap gestolen hebben, haar ruzie met mij was veel persoonlijker. Daar mag ik Day niet in meeslepen, niet alweer, ook al wil ik nog zo graag dat tenminste één iemand begripvol mijn kant op kijkt als het gaat om alles wat er tussen mij en Ada gebeurd is.

Misschien maakt het me niet meer eens uit of ik Ada vind. Misschien dat de vraag wat ik met haar doe als ik haar vind daarom zo simpel is. Het antwoord heeft er nooit toe gedaan. Ik wilde alleen maar weer even op zijn kamer zijn, met een doos vol koekjes, zijn warme, gele trui en zijn lach, terwijl hij me geruststelde en vertelde dat Ada wel degelijk onredelijk was. Alsof mijn ruzie met Ada voorzetten dat moment terug zou kunnen brengen. Ik weet beter dan dat - en toch, als dat zou werken, zou ik een allesverwoestende oorlog tegen het meisje starten. Ik zou ruzie schoppen met alles en iedereen, als ik daardoor ook maar een minuutje van dat moment terug zou kunnen krijgen. Het schijnt toch alles te zijn waar ik goed in ben.

"Wacht, ik ga mee." Op het moment dat mijn voeten de grond raken en ik me om wil draaien om dieper de mist in te lopen, roept Day me na. "Ik ga je niet alleen door de mist laten struinen. Dat is veel te gevaarlijk."

Meteen kom ik tot stilstand en kijk omhoog, maar de golf van opluchting die ik voel, vervaagt al snel als de jongen de hut weer in verdwijnt. In plaats van dat hij enige seconden later met zijn bijl in zijn handen weer verschijnt, hoor ik zachtjes zijn stem uit de hut komen, afgewisseld met de hardere, scherpere stem van zijn teamgenote. Het meisje lijkt overduidelijk geen fan van het idee om naar buiten te gaan. Ik bijt op mijn lip. Day en Amelia kunnen niet uit elkaar gaan. Als het meisje weigert mee te komen, kan Day ook niet weg. Hoe graag ik ook zou willen dat de jongen bij me blijft als ik me dieper de mist in waag, het zou hem niet alleen meeslepen in mijn problemen en ruzies, het is überhaupt onwaarschijnlijk dat het hem lukt om Amelia - dat stomme, koppige kind - te overtuigen. Ik kan hier niet blijven twijfelen. Die tijd heb ik simpelweg niet. Mijn blik schiet heen en weer tussen de vage contouren van de tak boven me en het verder eindeloze wit om me heen. De mist zal zo wel optrekken, vertel ik mezelf nogmaals, het is maar voor heel even. Er kan me niets gebeuren.

Net als ik een paar stappen de mist in heb gezet, hoor ik Day achter me mijn naam roepen, waarna ik het gerommel hoor van iemand die naar beneden klimt. Hoewel een deel van me zacht suggereert om op hem te wachten, negeer ik het advies, en stap stevig verder. Day zit vlak achter me, en de mist zal nu snel minder worden. Ik bespaar iedere seconde die ik kan. Hij zal me zo wel inhalen. Als we bij elkaar in de buurt blijven, kan ons niets gebeuren.

Nee, ons kan niets gebeuren.

Reacties (2)

  • Megaeraaa

    Een (soort) ruzie tussen Chris en Day?:|
    En hij gaat weer domme dingen doen!
    Straks "vindt" een Day-mutilant nog een Ada-mutilant en draait Chris helemaal door
    Ik heb een voorgevoel dat de spelmakers zomaar nog even die mistknop aan gaan laten staan:X

    3 weken geleden
    • Samanthablaze

      Ruzie is een groot woord. Meer een meningsverschil. Ze hebben het nog enigszins geciviliseerd afgehandeld
      Tja wanneer niet? Zo is Chris helaas:X
      Dat zou... naar zijn
      En dat zou ook al zo naar zijn
      Voor de jongens tenminste

      3 weken geleden
    • Megaeraaa

      Maar een meningsverschil met Day is toch ook al bijna onmogelijk
      Het Capitool zou zich nogal amuseren

      2 weken geleden
    • Samanthablaze

      Day heeft wel degelijk een eigen mening dus die kan verschillen met die van een anderxD
      Maar ja zeker

      2 weken geleden
  • Duendes

    Als ze iets dergelijks gisteren geprobeerd hadden, had het zonder twijfel gewerkt. Maar nu is alles anders. Ik weet heel goed dat het slechts een impuls is, en dat het me alleen maar in gevaar zal brengen.

    Hij doet zo zijn best awh schatje maar zijn impulsen zijn vrij sterk en erg intens dus eh rip maar gelukkig maakt hij Day wel wakker awh YES TROTS also Chris die hier wel degelijk bewijst dat hij het dus prima kan want hij was alleen en is niet zomaar achter Ada aan gegaan yay

    en de priemende blik van mijn vader, als hij me de lange lijst geeft van alles wat ik vandaag anders had moeten doen.

    Gosh meneer Swan is zo'n lul en dit is pas het begin van de nachtmerrie yikes eerst zo'n rotdag en dan dit als je eindelijk slaapt oef arme Chris gosh

    Day knippert stomverbaasd met zijn ogen, alsof ik hem net verteld heb dat hij een tovenaar is en dat ik hem ga meenemen naar een magische school, of zoiets onzinnigs.

    OHMY- you did not just- LOVE IT Ik voel een nieuw alternate universe aankomen:Y)

    We komen er eindelijk achter of ik al die tijd het monster was dat zij in me zag.

    Holyshit Chris dat is erg intens lieverd nee je bent geen monster schatje

    Ik wilde alleen maar weer even op zijn kamer zijn, met een doos vol koekjes, zijn warme, gele trui en zijn lach, terwijl hij me geruststelde en vertelde dat Ada wel degelijk onredelijk was. Alsof mijn ruzie met Ada voorzetten dat moment terug zou kunnen brengen.

    Dit is kinda heartbreaking tbh het enige wat Chris gewoon wil is een vriend gosh gewoon samen chillen en iemand hebben die naar hem luistert en er is, zonder dat dit allemaal levens kost van iedereen en awh dat doet pijn

    Nee, ons kan niets gebeuren.

    Famous last words voordat er hoe dan ook van alles gaat gebeuren ohno awh gosh

    3 weken geleden
    • Samanthablaze

      Precies. En dan bewijst hij ook dat hij alsnog een wandelende risicofactor is
      Slaap in de Spelen is een mythe, het is gewoon een truc om de tributen nog meer pijn te geven
      Yes I did. Sorry, not sorry
      Maar hij snapt wel waarom Ada dat vindt, hoe onredelijk het ook was, zeker in het begin. Ada heeft ook gezien hoe hij August neersloeg
      Precies, en zeker met Day. Hij wil gewoon alleen met hem zijn zonder dit alles want de keren voor de arena dat ze met z'n tweeën waren, waren heel erg fijn
      Whoops

      3 weken geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen