Als ik een paar minuten later tot stilstand kom en achterom kijk, besef ik me dat ik een grote fout gemaakt heb. Op de vlakte, waar het altijd zo stil is dat ieder beetje geritsel van tientallen meters afstand te horen is, is geen spoor meer van de voetstappen die me horen te achtervolgen. Er is geen enkel geluid dat me verteld dat mijn bondgenoot vlakbij is, en als ik om me heen kijk, zie ik in het ochtendlicht niets dan de koude, dikke mist. Ik slik, terwijl ik mijn ogen tot spleetjes knijp in een poging om íéts te kunnen zien, maar mijn hoop dat ik Day’s silhouet zo kan zien opdoemen, vergaat al snel. Hij is er niet. Ik ben wederom alleen in de mist.

Ik bal mijn handen tot vuisten en bijt op mijn lip, terwijl ik met diepe ademteugen mezelf probeer te kalmeren. Het is ongeveer even succesvol als de rest van mijn ervaringen voor en in de Hongerspelen tot nu toe, wat erop neerkomt dat mijn hartslag enkel lijkt te versnellen, hoe meer pogingen ik doe om mezelf rustig te krijgen.

Ik moet Ada vinden. De gedachte schudt me wakker en zorgt ervoor dat ik genoeg stop met trillen om mijn stok met een klap op de grond te zetten, zodat ik weer iets heb om mezelf mee overeind te houden. Ik moet haar vinden en onze spullen terughalen. Ik schud mijn hoofd. Zelfs als het een stom idee was, zou het stommer zijn om voor niets de mist in te zijn gelopen. Als ik het meisje vind en onze spullen terughaal, kan ik daarna op zoek gaan naar de boom - waarschijnlijk is de mist dan allang weer opgetrokken, en kan ik Day veel makkelijker terugvinden. Hij kan niet ver weg zijn. Mijn districtsgenote vinden, echter, lijkt een veel moeilijkere taak. Hier blijven staan, zal de kans dat ik haar nog vind alleen maar kleiner maken. Ik hoef me alleen maar te focussen op haar vinden - de rest komt later.

Maar met iedere stap die ik zet, voel ik mijn instinct om me gewoon op de grond te laten vallen en zo klein mogelijk te maken, sterker opborrelen. Om me heen is nog altijd niets dan mist - dikke, verstikkende mist, die me de afgelopen dagen meer en meer kapot gemaakt heeft. Het is niet echt, beloof ik mezelf, voor wat als de miljoenste keer aanvoelt. Onwillekeurig wrijf ik over de rug van mijn hand. Het is allemaal niet echt. Maar de wond, zonder een spoor van bloed maar wel degelijk pijnlijk brandend, bewijst het tegendeel. Iets in de mist - of misschien de mist zelf - probeert me al dagen te vermoorden. Steek voor steek, kras voor kras. Als het me vandaag niet fataal wordt, dan vinden ze morgen wel een nieuwe manier om me de kolkende mist in te krijgen. En zowel de Spelmakers als ik weten dat het ondanks alle goede voornemens die ik kan hebben, ondanks alle beloftes die ik maak, steeds weer werkt.

Ik klem mijn kiezen op elkaar en begin te rennen, zonder ook maar enig idee te hebben welke kant op. Het doet er ook niet toe - het is allemaal die vervloekte arena. Als het ooit nog opklaart, vind ik de weg terug wel weer. En zo niet, dan maakt het überhaupt niet uit waar ik zit. ik ben hoe dan ook verdoemd.

Pas als mijn voet met een luid, zompig geluid door water heen breekt, kom ik tot stilstand. Na een eeuwigheid niets anders gehoord te hebben dan mijn voetstappen in het gras en mijn raspende ademhaling, laat het geluid een verschrikte rilling over mijn rug lopen, terwijl ik haast automatisch mijn stok hef. Maar als ik om me heen kijk, zoekend naar de bron van het geluid, vind ik enkel een troebele plas aan mijn voeten, waarschijnlijk door de mist gevormd. Ik trek mijn voet terug en kijk toe hoe het zand dat mijn schoen had omgewoeld weer omlaag zakt en de waterkringen weer kalmeren, tot ik mijn eigen spiegelbeeld in het trillende oppervlak kan zien.

Het eerste dat me opvalt, is niet hoe moe ik eruit zie, of hoeveel vuil ik eigenlijk wel niet op mijn gezicht heb. Het zijn niet de krassen en schaafwonden, niet de vreemde blaren op mijn huid of het zweet op mijn gezicht. Het zijn niet de bloedvlekken en scheuren in mijn kleren en het is zelfs niet de trieste aanblik van mijn kuif, die inmiddels niet meer overeind staat, maar grotendeels voor mijn ogen hangt. Hoewel ik ze al talloze keren gezien heb, is het eerste wat me opvalt mijn ogen, donker als altijd. Maar waar ik vroeger altijd begroet werd door een glimmend donkerbruin, wat me menig opmerking - compliment, denk ik - van mijn voorbereidingsteam heeft opgeleverd, lijken mijn ogen nu eerder dof en zwart. Die ogen heb ik duizenden keren gezien. Ik deins achteruit en verbleek als ik zie dat mijn spiegelbeeld toch echt hetzelfde doet. Het zijn mijn ogen. Het horen niet mijn ogen te zijn. Dit zijn de ogen van mijn vader.

Het zou makkelijk moeten zijn om mijn ogen dicht te doen, me om te draaien en gewoon weer verder te rennen. In plaats daarvan blijf ik staan en blijf ik staren. De donkere ogen staren gewoon terug, en langzaamaan begint me op te vallen dat het niet enkel mijn ogen zijn die ervoor zorgen dat ik het liefst mijn gebrekkige ontbijt uit zou willen spugen. Hoewel het gehavende gezicht onmiskenbaar dat van mij is, herken ik in mijn eigen spiegelbeeld niet de jongen die ik dacht te zijn. Mijn gezicht is ernstiger, alsof ik ben vergeten wat lachen is, en met de diepe wallen onder mijn ogen en frons tussen mijn wenkbrauwen, lijk ik nog veel vermoeider dan ik me voel. Hoewel ik niet ouder lijk, lijk ik vele malen volwassener. Dit is niet het spiegelbeeld van de jongen die ik probeer te zijn - dit is het spiegelbeeld van de zoon die mijn vader wilde.

Als mijn knieën het begeven en ik in het gras plof, doet de jongen in het water hetzelfde. Iedere beweging die ik maak, wordt perfect geïmiteerd, enkel verstoord door de trillingen in het wateroppervlak. En hoe hard ik ook zou willen schreeuwen dat het niet echt is, dat ik dat niet ben, ik krijg de woorden niet over mijn lippen. De EHBO-kist, die ergens veilig in onze boomhut staat, geopend en gebruikt, bewijst het tegendeel. De jongen die ik dacht te zijn - die ik wilde zijn - had de kist simpelweg aan de kant gegooid en er een trap tegenaan gegeven. Die jongen zou niet de vriendelijke, ‘goede’ opties kiezen. Hij zou geen verantwoordelijkheden nemen en al helemaal geen bevelen volgen. En misschien dat hij een roekeloze klootzak zou zijn, maar dat zou tenminste zijn eigen keuze zijn.

Deze jongen is anders. Hij maakt de keuzes die hij hoort te maken - niet omdat hij ze zelf wil, maar enkel omdat dat van hem verwacht wordt. Hij heeft zijn pogingen om zichzelf te zijn allemaal opgegeven en alsnog - na alles - weet hij dat zijn vader niet eens een beetje trots op hem is. En hoewel hij probeert het juiste te doen, blijven zijn beslissingen iedereen in gevaar brengen en zijn bondgenoten pijn doen. Zelfs als hij zijn best doet, is hij nooit goed genoeg, en toch is hij wanhopig en zielig genoeg om het te proberen. Is dat dan echt wie ik geworden ben? Ik wend mijn blik af en knijp mijn ogen dicht, maar telkens weer wordt mijn blik teruggetrokken naar mijn spiegelbeeld, tot ik alleen nog maar kan wensen dat ik zelfs maar een heel klein beetje meer op Luna zou lijken.

Als ik het beeld van mijn gezicht niet meer kan verdragen, sleep ik mezelf overeind en ren weg, alsof dat alles oplost. Het maakt geen verschil. Ineens lijkt het hele grasveld bezaaid met plassen, als kleine, vervloekte spiegels die ik maar niet kan ontwijken. Uit alle macht probeer ik mijn hoofd omhoog te houden, mezelf niet aan te kijken, terwijl mijn ogen toch steeds terug dwalen. Iedere keer dat ik mijn spiegelbeeld zie herken ik mezelf minder.

Een groene flits vanuit mijn ooghoeken trekt me uit mijn paniek, en als mijn blik onvermijdelijk toch weer omlaag schiet, zie ik enkel gras. Niets hiervan is echt. Ik schud mijn hoofd en duw de herinnering aan mijn eigen, doffe ogen weg, terwijl ik snel zoekend om me heen kijk. Er is nog maar één iemand met zo'n groen shirt. Ik heb Ada gevonden.

Nogmaals begin ik te rennen, maar deze keer is het gericht. Ik weet waar ik de tribuut gezien heb, ook al heeft de mist haar meteen weer aan mijn zicht onttrokken. Mijn snelle ademhaling en bonzende hart zijn geen probleem meer als ik de achtervolging inzet. De adrenaline is een hele welkome afleiding van de storm in mijn hoofd en de waanbeelden die de mist me toont, en ik voel me zowaar opgelucht. Eindelijk heb ik iets om me op te focussen.

Al snel verschijnt de tribuut weer in mijn beeld, en wordt mijn vermoeden bevestigd: het meisje, met haar lange, zwarte vlecht en grasgroene shirt, is inderdaad mijn districtsgenoot, en hoewel ze niet omkijkt, weet ze duidelijk dat ze achtervolgd wordt: ondanks haar rugzak, die behoorlijk zwaar moet zijn van onze spullen, rent ze er zo hard mogelijk vandoor. Ik klem mijn kiezen op elkaar, terwijl ik haar door de mist volg. Het meisje is snel - dat wist ik al - maar ik heb een betere conditie. Ik mag dan al wel een heel stuk gerend hebben en moe zijn, ik ben niet van plan om haar te laten gaan. Ze komt hier niet mee weg.

Dit was makkelijker geweest als ik Jades messen had gehad. Snel duw ik de afschuwelijke gedachte weer opzij, en focus op het rennen, maar ik kan het niet helemaal onderdrukken. Het zou snel zijn - zowel voor haar als voor mij. Ik schud mijn hoofd en hef mijn stok op, nu het meisje zo dichtbij is dat ik haar bijna aan kan raken. Maar dan herinner ik me de misselijkmakende klap, het gekraak van een brekende schedel en het gevoel van de bloedplas onder mijn schoenen. Als ik haar zou raken, te hard, te goed, zou alles opnieuw rood worden. Ze is een verrader en een dief, en ze zou het toch niet overleven, met die idealistische houding van haar. Doe het. Maar op het laatste moment aarzel ik, en in plaats van dat het hout van mijn stok tegen haar schedel ramt, raakt het haar knie.

Ada struikelt en valt, waarop ik haar meteen met mijn stok over haar borstkas tegen de grond aan druk. Voordat het meisje de klap kan verwerken en op adem kan komen, voordat ik kan nadenken over wat ik nu moet doen, raakt mijn vlakke hand met een luide klap haar wang. "Dacht je nou werkelijk dat je hiermee weg zou komen?" Mijn stem is kil en rauw, en daalt naar een ijskoud level, het moment voordat ik mijn vraag met nog een klap onderstreep. "Geloofde je echt dat ik je gewoon zou laten gaan?" Mijn hand lijkt haast te gloeien als ik haar kraag vastgrijp en een stuk overeind trek. "Ik ben nog niet half zo vergevingsgezind als Day. Je gaat er spijt van krijgen dat je ons hebt verraden, vuile dief." Ik spuug de woorden in haar gezicht, voor ik haar hard weer omlaag duw.

Het meisje hapt naar adem en krimpt ineen, zover dat gaat, maar klemt haar kiezen op elkaar. "Ik hoorde niet bij dat team van jou," snauwt ze dan hees terug. "Ik zoek geen nutteloze ruzies op en probeer niet alles op te lossen met geweld. Ik ben niet zoals jij." Haar blik is giftig en fel, terwijl ze probeert zich onder me uit te worstelen. "Als er iemand hier een verrader is, dan ben jij dat. Jade is dood vanwege j-" Ada slaakt een gepijnigde kreet als mijn hand opnieuw haar gezicht raakt, wat in een benauwd gepiep over gaat als ik mijn stok over haar keel druk.

"Hou je bek," grom ik, terwijl ik tegen de stok druk om haar geen andere keuze te geven. "Jij bent degene die onze spullen gestolen heeft. Jij bent er vandoor gegaan met ons eten. Jij hebt niet eens geprobeerd te helpen in dat gevecht. Het is niet…" Mijn stem sterft weg en mijn greep verslapt. Het is wél mijn schuld. Het was niet mijn aanval die het meisje gedood heeft, en het was niet omdat ik niet geprobeerd heb om haar te helpen. Maar ik kan niet ontkennen dat Jade gestorven is in een gevecht dat ik nooit aan had mogen gaan.

"Nee, jij speelt alleen maar het spelletje mee." Ada duwt mijn stok aan de kant en schuift een stukje achteruit, maar als ze overeind probeert te komen, zakt ze al snel terug. Haar been, dat ik met mijn vechtstok geraakt heb, ligt in een vreemde hoek. Ondanks de pijn die het moet doen en het feit dat ze nu geen enkele manier meer heeft om te vluchten, kijkt het meisje me woedend aan. "Jij doet alleen maar wat je hoort te doen in de Spelen," sist ze. "Je bent precies zoals de Beroeps, en als die zus van jou en al die andere winnaars. Je bent een moordenaar en een klootzak, Swan." Ze duwt zichzelf zoveel mogelijk overeind, werpt me een ijskoude blik toe en spuugt dan in mijn gezicht.

Met een kwade grom laat ik mijn stok tegen haar schouder landen, en druk ik haar weer omlaag als ze ineenkrimpt van de pijn. Ik zou hier mijn mes kunnen trekken, fluistert een deel van mij, in het oog van de storm van mijn gedachten, zacht en kalm temidden van het geraas. Ze zou het toch niet kunnen navertellen. Maar op het moment dat ik het heft in mijn hand heb en het wapen boven haar keel zweeft, is het alsof in bevries. Dit is Luna's tribuut, net zo goed als ik dat ben. Mijn zus weet wat het is om in de Hongerspelen te zitten, en ik weet dat ze me heel veel zou vergeven. Maar niet dit. Niet nadat ze zo hard gewerkt heeft om een piepklein beetje vertrouwen van ons district te winnen.

In gedachten laat ik het wapen toch neerkomen, en voor even is het niet meer Ada die op de grond ligt. Het is Jamaia, mijn kleine bondgenote, met haar bleke gezicht en met bloed besmeurde hals. Alles is rood. Ik ben al voor zoveel doden verantwoordelijk.

"Doe het dan." Ada's stem is hard en scherp, haar blik vol ergernis. "Dat is hoe het spel werkt, toch? Jij wil eten, dus je vermoordt degene die het heeft, totdat je de enige bent die over is. Over een paar dagen is iedereen dood, en misschien ben jij dan wel degene die met die kroon op zijn hoofd door Panem paradeert. Hij past je vast perfect - hij is gemaakt voor mensen die over lijken gaan. Waarom niet over die van mij?" Haar ogen vernauwen zich tot spleetjes en haar stem verlaagt zich tot een laag gesis. "Waarom niet over die van je teamgenote? Waarom niet over die van Jade? Over die van Daniel? Het schijnt je toch allemaal niet te interesseren - dan zou je je ze niet steeds in gevaar brengen. Dan zou je dat mes van je niet voor hem verborgen houden."

"Hou je bek!" Ik druk het mes tegen haar keel, maar mijn handen trillen, waardoor het ijzer kleine krassen maakt in haar hals. "Hou gewoon je bek."

"Waar wacht je nog op, Swan?" Bij ieder woord dat het meisje zegt, wordt de snee dieper en welt er meer bloed op uit de wond. Tranen stromen over haar gezicht en van haar stem is niet meer over dan een schorre fluistering. "Doe het en leef ermee. Eens kijken of iemand jou nog terug wil, als je thuiskomt als de moordenaar die je bent."

Dat doen ze niet. Ik bijt op mijn lip en klem mijn vingers steviger om het wapen. Als ik Ada vermoord, gaat er nooit meer iemand zijn die me met enige sympathie aankijkt. Zelfs Luna niet. Juist Luna niet. Ik zal nooit meer ergens welkom zijn.

Ondanks de wond die mijn trillende handen in haar hals maken, kijken Ada's grijze ogen me triomfantelijk aan. Maar Ada heeft geen grijze ogen. De mist wel. Niets hiervan is echt.

Als de mutilant het besef op mijn gezicht ziet registreren, breekt er op Ada's gezicht een brede grijns door. Net op tijd weet ik haar hand te ontwijken, die als een soort klauw op me af schiet. Snel duik ik aan de kant, mijn mes verdedigend voor me uitstekend, terwijl boot de zoveelste keer het besef tot me doordringt hoe stom ik ben geweest. Aderyn, Day en nu Ada - alledrie de mutilanten hadden grijze ogen. Bij Aderyn was het verschil nauwelijks merkbaar, en ook Days ogen lijken wel vaker grijs, maar bij Ada had ik het verschil meteen moeten kunnen zien. Het ijsblauw dat ik gewend ben, lijkt hier niet eens een beetje op. Ik was naïef genoeg om te geloven dat ik haar echt gevonden had, in deze enorme, met mist gevulde arena. En ik was echt bereid om haar te vermoorden. Wat net nog een heel logisch idee leek, maakt me nu misselijk. Er is gewoon weer met mijn gedachten gespeeld. Ik schud mijn hoofd, maar kan haar woorden niet van me af zetten, hoe hard ik ook tegen mezelf schreeuw dat het niet echt was. Het is een leugen. Mijn vervreemdende spiegelbeeld, mijn schuldgevoel, mijn afweging om mijn districtsgenote te doden - dat was wel degelijk echt.

Als ik naar het beeld van Ada staar, voelt het onmogelijk dat ik haar ooit voor iets anders dan een mutilant heb aangezien. Haar kleurloze ogen staan kil en haar lach is veel te breed, haar vingernagels veel te lang. Het is haar niet echt. De echte Ada zit waarschijnlijk in een heel ander deel van de arena, ver van deze waanzin af. Ik haal diep adem, en als ze haar klauwen naar me opheft en naar me uithaalt, knijp ik mijn ogen dicht en steek mijn mes recht vooruit.

Als haar klauwen over mijn huid schrammen, kan ik een kreet niet onderdrukken, maar dan verslapt haar aanval. Ik open mijn ogen weer en kijk toe hoe de mutilant, met het gezicht van mijn districtsgenote, verandert in rook. Voor even blijf ik roerloos staan, starend naar de mistflarden en het wapen in mijn hand, terwijl haar laatste kreet nagalmt en haar bloeddruppels - nee, gewoon water - van mijn lemmet af druipen. Ik heb Ada vermoord- Nee. Maar ik wilde het wel doen. Ik kan niet anders doen dan staren, terwijl de tijd lijkt te vertragen en het besef tot me doordringt dat ik dan toch echt het monster geworden ben dat zij in me zag - net zozeer als ik die jongen in de spiegel ben geworden.

Dan gaat het kanon, en komt de werkelijkheid in één klap terug, waarbij het de hele wereld om me heen laat instorten.

Reacties (2)

  • Megaeraaa

    Wacht, Chris heeft een kuif?
    Heftig. Hij is helemaal de kluts kwijt
    Tja, mensen veranderen is nu eenmaal wat die arena doet
    Hij is wel goed in aan verwachtingen voldoen...
    ADA IS EEN MUTLANT, IK WIST HET!!
    Of toch niet? Door de mist leek ze misschien een mutilant maar eigenlijk heeft hij dus de echte Ada vermoord
    Of Danny is dood

    of een andere tribuut maar dat zeggen we er niet bij voor het dramatische effect

    2 weken geleden
    • Samanthablaze

      Niet meer:DMaar ja, in het origineel was hij ooit op Axel gebaseerd. Dus super blond, en een kuif enzo
      De grootste horror van allemaal: een existentiële crisis
      Hij is er ook heeeel blij mee
      Statistisch gezien is de kans groter dat het niet Ada of Danny is, maar de mogelijkheid is er altijd

      2 weken geleden
    • Megaeraaa

      Wait is Chris serieus op Axel gebaseerd?!
      Wat een shock. Maar het klopt wel ergens... de docter-vader, de badass energie en zo

      2 weken geleden
    • Samanthablaze

      Jep, het originele idee komt daar vandaan. Lekker cringy

      2 weken geleden
    • Megaeraaa

      Ok je was dus echt hard geobsedeerd met Axel

      2 weken geleden
    • Samanthablaze

      Misschien

      2 weken geleden
  • Duendes

    En misschien dat hij een roekeloze klootzak zou zijn, maar dat zou tenminste zijn eigen keuze zijn.

    Gosh Chris, niet waar awh dat is ook helemaal niet wie je wil zijn au het is pijnlijk hoe zijn vader hem zo'n identiteitscrisis heeft gegeven ugh want hij is wel die jongen die wil helpen en die bovenal graag de held wil zijn, en zeker wel roekeloos, maar geen klootzak verdorie Chris nee awhh

    Het is wél mijn schuld.

    Chris noooooo

    Dit is Luna's tribuut, net zo goed als ik dat ben. Mijn zus weet wat het is om in de Hongerspelen te zitten, en ik weet dat ze me heel veel zou vergeven. Maar niet dit.

    Dat is een pijnlijk besef want like ja en nee en aahhh? Het maakt het zo ingewikkeld dat Luna zijn mentor is af en toe man awh

    "Het schijnt je toch allemaal niet te interesseren - dan zou je je ze niet steeds in gevaar brengen. Dan zou je dat mes van je niet voor hem verborgen houden."

    Shit man die is heel erg pijnlijk want dit zijn toch echt wel steeds dingen die hij doet en niet wil maar toch doet au

    Als de mutilant het besef op mijn gezicht ziet registreren, breekt er op Ada's gezicht een brede grijns door.

    Freaking creepy die mutilanten maar DAMN POWERFUL oef like ziek intens en weer iets nieuws om een crisis over te hebben awh arme Chris gosh

    2 weken geleden
    • Samanthablaze

      Hij is een enorme puinhoop, en hij wil inderdaad heel graag de held uithangen maar dag verdwijnt een beetje naar de achtergrond als het duidelijk is dat andere mensen zoiets van hem willen. Dan hoeft het van hem ineens niet meer. En na dat gedoe met Jade en de sponsorgift de dag ervoor, had hij al een identiteitscrisis
      I mean... wel een beetje. Hij weet ook dat het niet alleen maar zijn schuld was, maar ook dat het nooit gebeurd zou zijn als hij niet zo roekeloos was geweest
      Uiteindelijk zou ze hem waarschijnlijk wel vergeven maar het zou heel pijnlijk zijn en heel veel gedoe opleveren
      Jep, hij geeft er wel degelijk om, maar zijn hubris en impulsiviteit zijn hele gevaarlijke gewoontes die ervoor zorgen dat het toch steeds weer gebeurd, ook al probeert hij wel van zijn fouten te leren
      Precies, er was al een hoop schuldgevoel maar deze mutilant heeft er echt wel een schepje bovenop gedaan

      2 weken geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen