"Dus wat wil je vanavond eten?" Day, die door zijn rugzak aan het rommelen was op zoek naar iets eetbaars, kijkt naar me op. In het warme zonlicht van de namiddag, dat door de bladeren van de boom op zijn gezicht schijnt, is zijn vermoeidheid bijna onzichtbaar. De beetjes slaap die we gehad hebben sinds we de boom teruggevonden hebben en de mist eindelijk is opgetrokken hebben enorm geholpen, maar als ik de jongen aankijk, lijken zijn ogen doffer nu hij zijn teamgenote is kwijtgeraakt. Iedere glimlach die hij me vandaag toegeworpen heeft leek geforceerd, en de mijne waarschijnlijk net zo goed, maar met de zon op onze huid, kunnen we misschien eindelijk doen alsof we niet op instorten staan.

Ik vang mijn stok op, die door de plotselinge vraag tussen mijn vingers door geglipt was, en tover een grijns op mijn gezicht die niet eens als een leugen voelt. Natuurlijk, alles is verschrikkelijk, alles is naar en we hebben alle reden om in een hoekje te gaan huilen, maar we hebben het vocht te hard nodig. Bovendien wil ik niet meer huilen om mijn verloren teamgenoten. Jade is gestorven omdat ze ons probeerde te verdedigen, en ik weet dat het meisje ontzettend verontwaardigd en teleurgesteld zou zijn als we vervolgens voor de rest van onze korte levens zouden mokken en huilen. Ada is zelf weggegaan, en is daar alleen maar zelf beter van geworden. En hoewel ik heel goed weet dat zij het ook zwaar moet hebben met Jades dood, kan ik nog geen klein beetje medelijden opbrengen voor haar. Waar was zij, in dat gevecht? Voor Amelia zou ik gerouwd hebben - ze was gewoon een jong meisje met een familie die op haar wachtte - maar sinds ons gesprek gisteravond, maakt enkel denken aan haar me al gespannen. Ze was onredelijk en er viel niet met haar te praten. Het meisje is zelf bij Day weggegaan. Als ze niet kon waarderen dat de jongen zijn best deed om haar in leven te houden, hoeft ze mijn medelijden niet te verwachten. Haar familie, dat wel - maar zij niet. Niet meer.

En mijn aandeel daarin? De gedachte die al de hele middag af en toe de kop op steekt, laat zich niet makkelijk wegdrukken deze keer. Zijn we niet drie bondgenoten verloren vanwege mijn keuzes? Had ik dit niet kunnen - moeten - voorkomen? Het is mijn- Nee. Niet nu. Ik adem uit en blaas de gedachte weg, alsof het gewoon een wolk is in Celeses metafoor. Ik kan echt lachen nu, niet geforceerd, niet nep. Ik kan echt lachen, want dat is wat ik nu wil. Misschien dat ik dan ook Days echte lach weer kan zien.

"Staan er toevallig 'goede overlevingsplannen' op je menukaart?” vraag ik, terwijl ik naast mijn bondgenoot ga zitten en over zijn schouder met hem meekijk. “Met 'ze leefden nog lang en gelukkig' als toetje?"

Het feit dat Day echt naar me lacht is genoeg om al mijn twijfels en angsten voor nu de nek om te draaien. Hoe bedoel je, alles is verschrikkelijk? Niet hier, niet nu. Maar als hij een zakje met zo’n stomme poedermaaltijd uit de rugzak vist, moet ik die gedachte meteen terugnemen. Als dat onze enige optie wordt, is alles wel degelijk verschrikkelijk. Ik mag dan geen fan zijn van Luna’s maaltijdsalades en groenteschotels, ik zou ze zonder twijfel boven die poeder-troep verkiezen. Ik zou zelfs liever zo’n stomme smoothie drinken. "Misschien als we water toevoegen?" Day grijnst breed en even vrees ik dat hij mij het zakje aan gaat geven, maar tot mijn grote opluchting gooit hij het terug in de tas en gebaart hij naar de enorme takken om ons heen. "Maar anders zul je het moeten doen met mijn brede aanbod aan fruit en meer fruit."

"We moeten het er maar mee doen," antwoord ik met een melodramatische zucht, maar knipoog dan. "Ik lust wel een appel en misschien wat perziken. En dan maar kersen als nagerecht?"

"Toe maar weer, meteen een hele bestelling." Ondanks zijn verontwaardigde blik, die hij sowieso niet erg lang volhoudt, staat Day op en klimt een stukje omhoog, naar een tak die nog volhangt met vruchten. Eenmaal daar, krabt hij aan zijn hoofd en draait zich met een beteuterde blik om naar mij. "Welke hiervan wat nou een perzik?"

“Die.” Ik wijs naar de vrucht, en gebaar dan naar de andere. “Maar nectarines zijn ook lekker. Proef maar." Het blijft wonderbaarlijk hoe weinig fruit de jongen eigenlijk kent. Het bewijst wederom hoe weinig van ons werk eigenlijk in de districten terechtkomt. Maar waar ik me daar normaal kwaad om zou maken, kan ik nu enkel genieten van Days nieuwsgierige gezichtsuitdrukking, die in een tevreden lach verandert als hij een hap neemt.

Met een lading fruit in zijn arm, klimt de jongen terug omlaag en gaat in kleermakerszit tegenover me zitten. De appels, nectarines en perziken legt hij met een trotse lach tussen ons in. "Het toetje komt hierna, als je het niet erg vindt. Ik kan maar een beperkte hoeveelheid fruit dragen."

Ik knik en pak een appel, maar na een paar happen kijk ik mijn bondgenoot weer aan. "Zal ik dan zelf dan maar die overlevingsplannen maken?"

Day wendt meteen zijn blik af - dit is geen onderwerp wat hij nu zou willen bespreken, en daarin moet ik hem gelijk geven. Maar waarschijnlijk gaat er nooit een goed moment voor zijn. Day lijkt zich dat ook te beseffen, want hij ademt diep in en uit en kijkt me dan weer aan. "Het staat niet op het menu, maar ik kan nog wel meedenken,” mompelt hij. De lach die hij tevoorschijn tovert, verdwijnt echter nog sneller dan een bliksemflits. "Wat gaan we nu doen?"

"Mijn hoofd komt helaas niet veel verder dan 'overleven'." Ik zucht en wrijf over mijn slapen. "Blijven we hier?"

"Ik weet het niet." Hij bijt op zijn lip en laat zijn hoofd hangen. "Het voelt gevaarlijk om alleen maar op één plek te blijven, maar waar moeten we anders heen?" Even blijft hij aarzelend stil, maar dan gebaart hij zwakjes omhoog en omlaag. "Het labyrint weer in is niet zo'n aantrekkelijk idee, maar helemaal naar boven lijkt me ook niet ideaal."

"En we hebben hier onze hut.” Ik laat mijn blik over de houten muren van onze schuilplaats glijden. “Het is niet veel, maar het beschermt ons wel." De waarheid is dat ik niet weg wil, en hoewel Day dat waarschijnlijk ook wel weet, zeg ik het niet. "Maar als we hier blijven, moeten we een plan hebben om tegen de mist te vechten." Sinds we hier zijn, lijkt iedere nacht ons meer en meer te kosten. Er moet iets veranderen, en snel. Voor het onze levens zijn die we hier verliezen.

"Ik denk dat we een directe confrontatie met de mist zoveel mogelijk moeten voorkomen. Tot nu toe pakt het steeds niet heel goed uit." Day fronst, maar dan glijdt zijn blik naar mij. "Hoe is het nu eigenlijk? Je leek vannacht gewond te zijn geraakt." Zijn ogen blijven steken bij mijn borst, waar de inmiddels bruine bloedvlekken een lelijk patroon op mijn toch al lelijke shirt gevormd hebben. "Kan ik helpen?"

"Nee, ik heb het al verzorgd.” Dat deel is waar: de uren die Day geslapen heeft, waren een goed moment om een poging te doen de wond te verzorgen, en theoretisch gezien is dat me aardig gelukt. “Het lijkt erger dan het is." Dat, echter, is een leugen, die ik met een wegwuivend gebaar probeer te verbergen. Het heeft niet heel hevig gebloed en er is niets vitaals beschadigd geraakt, maar toch voelt het alsof ik de klauwen van de mutilant onder de pleisters het verband nog steeds kan voelen. Iedere stap, waarbij iedere keer het koude metaal van Bo’s aandenken tegen de wond tikt, lijkt te branden. Maar het is niets waar hij iets aan kan doen, en dus haal ik voorzichtig mijn schouders op. "We kunnen ons beter op de plannen focussen. Ik denk niet dat het lukt om de directe confrontaties te vermijden. Dat hebben we al geprobeerd, en het heeft niet veel geholpen." Ik zucht zacht. "Dus ik stel voor dat we zorgen dat we er klaar voor zijn. Overdag meer slapen, zodat we 's nachts kunnen vechten."

Hoewel Day knikt, weet hij de scepsis niet helemaal uit zijn gezicht te weren. Al snel gaat die blik over in de behoedzame die ik vrijwel dagelijks van mijn leraren kreeg: de blik van iemand die probeert te bedenken hoe hij in vriendelijke, beleefde termen uit kan leggen dat hij het niet echt met me eens is. "Overdag meer slapen lijkt me een goed idee,” besluit hij dan, met alweer die zwakke, onechte glimlach. “Uitgerust is het misschien ook makkelijker om de confrontatie te voorkomen en als het echt op een confrontatie neerkomt, maken we meer kans als we niet uitgeput zijn."

Ik schud kleintjes mijn hoofd. ‘Voorkomen’ is niet het juiste woord - het is simpelweg niet haalbaar, naïef. We hebben telkens veel te hoge verwachtingen gehad van ons eigen kunnen, en die hoogmoed heeft ervoor gezorgd dat we telkens overrompeld werden. En nu we met minder man zijn om elkaar af te leiden van de waanbeelden, wordt het alleen maar moeilijker. "Daniel, we konden het met vijf man al niet voorkomen. Hoe wil je dat met z'n tweeën wel gaan doen?"

Schijnbaar was mijn mening iets duidelijker dan aanvankelijk bedoeld, want als Day me aankijkt, wendt hij meteen zijn blik weer af, terwijl er een lichte blos op zijn wangen verschijnt. "Het vechten is tot nu toe ook niet heel succesvol, dus ik dacht..." De jongen gebaart in het niets, tot hij uiteindelijk zijn schouders ophaalt. "Ik weet het ook niet."

Ik zucht zacht. "Ik weet het. Maar dit zijn de Hongerspelen. We komen er toch niet onderuit."

De trieste blik op Days gezicht zorgt ervoor dat ik de woorden meteen weer in wil slikken en wil beloven dat we wel een manier vinden om dit alles zonder geweld te doen. Maar voor ik er iets uit kan flappen dat ik nooit waar kan maken, knikt de jongen. "Ik weet het."

"We doen ons best, maar we gaan het niet kunnen voorkomen,” mompel ik. “We moeten ons zoveel mogelijk voorbereiden op lange, slapeloze nachten."

Day zucht en leunt dan achterover, terwijl hij diep ademhaalt en zijn ogen even sluit. Als hij weer naar me opkijkt, fonkelt er een nieuwe vastberadenheid in zijn blik. "Dus dan maar gewoon het hele slaapritme omgooien. Overdag slapen klinkt praktischer." Mijn bondgenoot knikt instemmend. "Dan doen we dat."

"En als slapen niet lukt, dan in ieder geval zoveel mogelijk uitrusten," vul ik Day aan.

Hij knikt en gebaart dan naar zijn appel. "En qua eten zitten we hier wel goed." Hij glimlacht en eet de rest van zijn maaltijd op, voor hij met een scheve grijns op zijn gezicht overeind komt. "Goed, ik zal je nagerecht eens gaan halen." Meteen voegt hij de daad bij het woord, en even later geeft hij me een handvol kersen aan, waarna hij weer gaat zitten. Peinzend kijkt hij naar de glimmende, donkerrode vruchten. "Zouden we fruit mee kunnen nemen als we hier weg moeten?" peinst hij dan.

"Ik denk het wel." Ik haal mijn schouders op. Het idee van al dit eten op één plek is dat veel van de tributen hier naartoe komen om erom te vechten. Het meest effectieve zou zijn om te zorgen dat de tributen telkens terug moeten komen - maar zonder een erg grote tas, is dat sowieso het geval. Zelfs als je al je tassen en zakken vol zou laden, zou je binnen een dag of twee waarschijnlijk weer terug moeten komen. Die gevechten, zoals die tussen ons en Samuel en zijn boerenvriendje, komen er dus toch wel. Er is geen reden om, als we hier ooit weg zouden gaan, niet te proberen een hoop van het eten mee te nemen. In het doolhof leek immers erg weinig eten te vinden, en we hebben geen idee wat er verder nog is. Een grijns vormt zich op mijn gezicht, als ik naar een van de kromme, doorgebogen takken wijs. "Misschien kunnen we het beste geen meloenen meezeulen, maar we zouden best iets kunnen inpakken." Ik gebaar naar de kersen voor ons, terwijl ik er een in mijn mond steek.

"Balen, ik wilde juist zo graag een watermeloen meenemen." Day grijnst terug, voor ook hij een stokje van een kers af trekt en de vrucht in zijn mond steekt. "Laten we dan ook maar wat inpakken, voor het geval dat."

Ik knik naar hem. "Maar eerst even rustig ons diner opeten," antwoord ik. "Daarna mogen de Spelen weer beginnen." Ik steek demonstratief nog een kers in mijn mond en leun tevreden achterover, terwijl ik de zoete smaak door mijn mond voel verspreiden.

Day werpt me een plagerig glimlach toe. "De prioriteiten zijn gelukkig nog helder."

Ik grijns en bijt voorzichtig het vruchtvlees van de pit, tot dat het enige is wat overblijft. Als de stapel kersen verdwenen is, staar ik peinzend naar de pitten in mijn hand. "Wat zou er gebeuren als je deze zou planten?"

"Misschien groeit er wel zo'n boom uit," suggereert Day, met een groots gebaar naar de nog veel grotere stam. Een scheve glimlach breekt door op zijn gezicht, en hoewel zijn ogen nog altijd doffer lijken dan een paar dagen geleden, zijn ze helder en warm genoeg om me in gedachte mee te nemen naar die eindeloze bossen die we zo missen. "Of eentje met alleen kersen, dat kan ook."

"Daar kan ik mee leven." Ik beantwoord zijn glimlach, in de hoop dat het zelfs maar half zo warm is als die van hem, en kijk dan weer naar de pitten in mijn hand. "We kunnen het proberen," opper ik dan. "Als een van ons dit overleeft."

"Je bedoelt-" Even aarzelt Day, maar dan slaat hij zijn ogen neer en lacht een lach die niet voor mij bedoeld is. Deze is voor zijn familie, zijn vrienden, voor iedereen waar hij van houdt. "-thuis." Als hij weer opkijkt, knikt hij naar me. "Klinkt passend voor de Bosjesmannen."

"In het district van de ander," ga ik zachtjes verder. Dat zou moeten kunnen, al is het maar via onze mentoren. We vinden wel een manier. "Zodat-" Zodat we een plek hebben om samen thuis te komen. Ik trek mijn knieën op en probeer de brok uit mijn keel weg te slikken, maar als dat niet lukt, laat ik mijn hoofd hangen. In die toekomst, die ik me niet anders kan inbeelden dan een warme lentedag, met de geur van bloesem in de lucht, is er geen 'hij en ik' meer. Er is enkel hij, of enkel ik, en een jonge, maar hopelijk ijzersterke boom. In die toekomst zou ik niet klagen over dat we niet meer weten hoe we echt moeten lachen. Voor één enkele, geforceerde glimlach, voor één enkele blik, zou ik alles geven. Het zou niet helpen. In die toekomst, staan we er alleen voor.

Days hand op mijn arm trekt me terug uit de beeldenstroom die aan me voorbij schiet, van kersenbomen, grafstenen en lijken, en brengt me veilig terug bij hem, levend en wel. "Dat lijkt me een mooi idee." De glimlach op zijn gezicht is zwak, maar fonkelt, en als het gekund had, had ik de tijd hier gestopt, omdat zelfs een eeuwigheid niet genoeg lijkt om erin te verdwijnen. "Laten we dan maar wat pitten bewaren. Dan komen alle zakken in deze jas toch nog van pas."

Snel veeg ik mijn ogen af en ga op zoek naar ieder beetje vastberadenheid dat ik nog in diepe hoeken van mijn lichaam kan vinden, en probeer het in mijn stem te laten vloeien. "Dan moeten we dus wel winnen."

Day laat de pitten in zijn binnenzak glijden en kijkt op. Heel even is het alsof we niet in de Spelen zitten, maar in een enorme boom in mijn district, samen op een prachtige vrije dag. Heel even mogen we echt lachen, en dus doet hij dat, met een vrolijke twinkeling in zijn ogen waar ik nooit iets tegenin zou kunnen brengen. "Ik dacht dat we die conclusie al getrokken hadden, toch?"

Ik grijns naar hem, terwijl ik ook mijn kersenpitten voorzichtig in een zakje steek. "Een extra reden kan geen kwaad, Danny."

Day lacht hoofdschuddend naar me, en strijkt zachtjes met zijn warme hand over mijn arm. "Dat is waar," geeft hij toe. En voor even droom ik van een wereld waarin we allebei in een zelfgeplante kersenboom zitten, ergens waar we thuis zijn, minstens voor altijd. Voor even kan ik geloven dat het echt goedkomt met ons.

Reacties (2)

  • Megaeraaa

    Dat van die kersenpit is echt een mooi idee!

    3 dagen geleden
  • Duendes

    Ik kan echt lachen nu, niet geforceerd, niet nep. Ik kan echt lachen, want dat is wat ik nu wil.

    Die instelling is Powerful Chris yess babe hou dat vast awh

    Het blijft wonderbaarlijk hoe weinig fruit de jongen eigenlijk kent.

    Fair maar D7 heeft niet bepaald fruitbomen klimaat en alles uit 11 gaat naar het Capitool want duhuu

    De trieste blik op Days gezicht zorgt ervoor dat ik de woorden meteen weer in wil slikken en wil beloven dat we wel een manier vinden om dit alles zonder geweld te doen.

    Day is like zo overduidelijk niet geschikt voor de Spelen dat het een beetje plaatsvervangend pijnlijk is soms awh maar also Chris die meteen alles wil oplossen eigenlijk bij het zien van die blik is zo adorable en precious wat een cutie

    Zodat we een plek hebben om samen thuis te komen.

    Dont mind me crying in een hoekje hier awh gosh

    In die toekomst, die ik me niet anders kan inbeelden dan een warme lentedag, met de geur van bloesem in de lucht, is er geen 'hij en ik' meer. Er is enkel hij, of enkel ik, en een jonge, maar hopelijk ijzersterke boom.

    Thanks je maakt het erger help dat is zo sneu en pijnlijk gosh maar also damn zo sterk geschreven ik ga even verder huilen eerst gosh

    Ze verdienen zoveel beter verdorie wie heeft er nou bedacht dat we een THG verhaal met deze kindjes schrijven ughhh

    1 week geleden
    • Samanthablaze

      Ikr hij doet een goede poging. En het werkt, enigszins
      True, rip. Wel hartstikke lekkere boombast koekjes
      Ja maar natuurlijk want Day is super precious en Chris ziet hem gewoon heel graag lachen dus daar doet hij zijn best voor
      I know, mood
      Yeah die is pijnlijk. Wat een stomme regels
      Ikr dat was echt een heel erg dom idee

      1 week geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen