Met een nagel kraste ik in de stenen vloer.
De zon en maan die over de vloer schenen. De tekeningen die niets betekenden. Het bracht mij rust.
Eerst waren het een paar rechte krasjes, maar wanneer ik begon te grommen over de scheve strepen, was het tijd om over te gaan naar wat anders dan mijn nagels. De slachtoffers om mij heen hadden hun nagels niet meer nodig. Hun licht was al lang gedoofd.
Af een toe wandelde ik naar de karkassen om meer nagels van ze af te nemen, na een tijdje hadden zij ook allemaal niets meer.
Een bergje nagels, voornamelijk klauwnagels, want die waren het beste om te gebruiken, waren naast mij opgestapeld.
Eenmaal als ik ernaar keek krulden mijn mondhoeken omhoog.
Met een klauw graaide ik naast mij, op zoek naar een nieuw tekengerei. Er was geen meer. Mijn kop draaide zich om, een grommend zuchtje verliet mijn bek. Waarom waren de klauwen niet genoeg mijn tijd te doden? Ik had niets meer om verder te gaan.
Zoekend keek ik rond of ik iets anders kon vinden. Met mijn tong gleed ik langs mijn bek, en voelde daarmee mijn tanden. Een gniffel verliet mijn bek, en besloot de tanden van deze slachtoffers te nemen. Er waren veel meer tanden dan klauwen, waarom had ik daar niet eerder over nagedacht?
Met een goeie ruk, trok ik de tanden eruit. Een lachje verliet mijn bek. Het was een rare sensatie, geen verkeerde sensatie.
Ik had besloten iedere tand te nemen die bruikbaar was. Bij de karkassen zoals draken waren er veel tanden bruikbaar, ze waren scherper en puntiger. Veel puntiger dan de meeste tanden van bijvoorbeeld de blote tweebeners.
Met de tanden kraste ik verder over de grond. Een flits ontstond van de wrijving, waarbij paarse stroompjes stuiterde over de grond. Ik bewoog mijn kop lichtjes op zijn kant, en staarde ernaar ook al was het allang weer weg. Interessant was het wel.
Ik bewoog de tand sneller over de grond, meerdere flitsen stuiterde over de stenen vloer. Een tinteling in mijn lichaam bracht een lach op mijn gezicht.
Wat het ook was, het was geweldig. Het beste vermaak dat ik in een lange tijd heb gehad.
Dat gevoel in mijn lichaam, het voelde als toen ik net uit het karkas kroop. Een luchtig en vrij gevoel. Een gevoel dat mij erg blij maakte.
Ik groef opnieuw met een tand over de grond, de bliksemschichten kwamen niet uit de tand, maar het bewoog zich om mijn vinger heen voor het de grond bereikte. Het kwam van mij?
Ik opende mijn klauw en draaide de palm naar mij gericht, waardoor de tand over de grond begon te stuiteren tot het uiteindelijk stil lag, maar ik was niet bepaald gefocust op de tand, eerder op mijn klauw. Er kwam bliksem vanuit mijn klauw?
Dat gevoel dat ik zojuist had. Was dat wat dit was? Is dat hoe Xyafol die onbegrijpelijke dingen deed? Het bracht veel gevoel met zich mee, dat moest er wel iets mee te maken hebben.
Ik bewoog mijn klauw naar voren, richtte het op de muur dat tegen over mij stond, en sloot mijn ogen.
Een gevoel kwam van binnen in mij, als ik mij er nou op concentreerde.
Een tinteling in mijn buik, iets vergelijkbaars met vlinders in mijn buik, het gevoel dat ik had toen ik voor het buiten was. Plus het gevoel dat iets in mijn lichaam stroomde en verplaatste. Een gevoel dat zich bewoog van buik, naar mijn borst en arm daarna naar mijn klauw.
Een hard geluid, steen gerommel, een sterke geur dat ik herkende van de onderwereld die specifieke zwavel achtige geur, en mijn ogen die opnieuw open gingen.
De actie zelf had ik niet gezien, maar ik zag het vervolg ervan.
Een aantal kiezels rolde nog over de grond. Een kleine rookpluim dat de muur verliet.
Een luid getier beschreef hoe ik mij voelde. Magie, ik kon magie. Misschien was het niet indrukwekkend, maar het was indrukwekkend voor mij.
Was bliksem het enige wat ik kon doen?
Mijn kop bewoog zich naar de stapel tanden dat naast mij lag. Hoe mooi zou het zijn als ik de tanden niet hoefde aan te raken om over de grond te tekenen? En was magie echt een gevoel? Of lukte de bliksemschicht met het gevoel omdat ik dacht aan een bliksemschicht?
Het was ieder geval de moeite waard om te kijken of mijn gedachte dit beïnvloedde.
Om opnieuw een soort magie te gebruiken sloot ik mijn ogen. Ik haalde het gevoel weer op en dacht eraan om een tand te verplaatsen. Een korte gedachte schoot door mijn kop. Hoe kan ik iets verplaatsen als ik niet precies zie waar het is?
Een grijns verscheen op mijn kop. als ik deze truc de beste op slagen wil hebben, kon ik maar beter mijn ogen geopend hebben.
Het gevoel dat ik toen ophaalde was nog steeds in mijn buik. Het gevoel verplaatste zich naar de borst, de arm, en dan naar mijn klauw. Mijn klauw dat gericht stond op een tand, de eerste die ik zag was de slachtoffer, eentje dat aan de top van het hoopje lag. De gedachte om die te laten bewegen was sterk in mijn brein. Ditmaal kwam er geen bliksemschicht uit. Het had dus wel deels met mijn gedachte te maken. Het gevoel dat ik had was wel hetzelfde, en voor ik het wist, rolde de tand naar beneden, op de grond. Het bewoog.
Met een vinger wees ik met een snelheid naar de muur, mijn ogen volgde. De tand vloog door de lucht en stopte in de muur. Het ging met zo’n snelheid dat het daar in bleef hangen.
“Het lukte,” schreeuwde ik vrij luid met mijn bek open uit enthousiasme. “Nog eens.” Het moest sneller kunnen.
Eerst het gevoel, dan de gedachte, het verplaatste van borst, naar arm, naar klauw, en vinger… Ik wees naar een tand en richtte mijn vinger naar de muur.
De tand in de muur kreeg gezelschap van een van zijn soortgenoten.
Gevoel, gedachte, borst, arm, klauw, in de muur.
Derde keer, gelukt.
Misschien was magie niet zo moeilijk als het leek, maar het oefenen was zeker iets wat ik nodig had.
“Waar lach jij om, monster gespuis.” Een brullende lage stem vulde de ruimte.
Mijn kop bewoog zich naar het wezen, een breed, rood schubbig beest, er waren geen vleugels. Zijn poten stonden gespreid, aan de zijkant van het lichaam. De dikke poten hadden lange klauwen die over de vloer tikte. Rook stroomde uit zijn bek en neusgaten. De staart had een knots met stekels. En over zijn rug een ijzeren plaat dat vast gebonden zat om zijn keel en buik.
“Jij bent zelf de monster hier, wie ben jij?” vroeg ik het wezen op een rustige toon.
“Mijn naam is niet belangrijk, Za’afiel. Jouw ondergang daarentegen.”
Zijn poten kwamen verder naar binnen dan ik naar buiten kon lopen.
“Hoe ben je zo zeker dat jij mijn ondergang bent?” Ik hield mijn gezicht uitdrukking strak, hij verdiende het niet om mijn emoties te mogen lezen.
“Simpel.”
De grond trilde, zijn paarse ogen veranderden naar een spier witte kleur. Hij bewoog niet van zijn plek. En een windvlaag dat vanuit zijn bek resoneerde tilde mij op en gooide mij hard tegen de muur. En heel even dacht ik dat ik iets hoorde kraken. De pijn schoot snel door mijn rug en wanneer ik eenmaal weer op de grond viel kreunde ik het uit.
“Ben je al meer zeker van het feit dat ik je ondergang ben?” Het wezen grijnsde, wat je ook grijnzen kon noemen. Zijn bek had amper de mogelijkheid emoties te tonen. Hoe kent dit wezen mij zelfs? Ik had hem nooit eerder gezien.
Een boze grom verliet mijn bek wanneer ik langzaam overeind krabbelde. Ondanks mijn haat naar deze plek, het was mijn thuis die hij zojuist betrad. Ik zal hem niet de genoegen geven mij te vermoorden.
Het wezen gaf mij geen tijd om te reageren en een nieuw schokgolf vloog mijn kant op.
Het was duidelijk dat dit wezen mij niet dichtbij hem wilde hebben. Of hij zag er sterker uit dan hij was. Of hij dacht dat ik alleen van dichtbij kon aanvallen. Of beide. Ik hoopte op beide.
Ik repliceerde het gevoel dat ik tijdens het oefenen had, en zwaaide mijn klauw zijn richting uit. Ik was niet heel duidelijk met wat ik wilde, en alle kadavers en hun losse onderdelen vlogen zijn kant op.
Hij werd bedolven door alle kadavers, en schudde die van zich af met een boze grom.
“De vrouw had niet verteld dat je magie had.” Het wezen stapte op mij af, weg van de kadavers. Het was dus die vrouw van laatst die hem had gestuurd.
“Ik ken die hele vrouw niet, ze had door het schild heen moeten komen, Dan hoefde ze haar zoon niet meer zo te missen.” Ik grijnsde breed, met mijn tanden ontbloot.
Het wezen was er niet van dien dat ik zo’n opmerking maakte en vuurde opnieuw een schokgolf af, hij stampte met zijn voorpoten op de grond om er extra kracht achter te zetten.
Ik stond al tegen de muur, en zette mij schrap door het gewicht in mijn lichaam beter te verdelen voor de golf. Het deed mij niet zoveel zoals de eerste. Het hield mij wel op afstand van dit wezen. En ik wist nog niet hoe ik effectief vanaf een afstand hem kon aanvallen.
“Je moet toch met iets sterkers komen als je mij wilt doden,” zei ik uitdagend.
Ondertussen moest ik maar proberen mijn krachten onder controle te houden. Bewoog daarvoor mijn vinger waarbij er kleine bliksempjes over de grond stuiterde.
Ik moest ondertussen het wezen bezig houden. En snel gaan uitzoeken hoe ik een sterkere aanval kon gebruiken.
“Misschien ben je slimmer dan je lijkt. De rest zien je als een moordenaar. Die zonder aarzelen zijn prooi vernietigt, maar jij wacht.” Het wezen had een gezichtsuitdrukking die ik nog niet eerder gezien had. Hij leek te denken, waar zou hij over nadenken?
“Jij bent niet degene die al de wezens heeft vermoord, of wel?”
Hoe kwam hij daar op? Het was waar wat hij zei. Ik had nog nooit niemand vermoord, ik had alleen geleefd van de kadavers die zomaar op kwamen dagen.
“Nee, ik eet alleen van deze wezens.” Ik sprak rustig, en stopte de kleine oefeningetjes die ik op de achtergrond aan het doen was.
“Als een huisdier, je eet wat je gegeven wordt.”
Ik wist niet precies wat hij daarmee bedoelde, maar ik bewoog mijn kop op en neer aangezien de rest van wat hij zei wel klopte.
“Xyafol heeft mij hier opgesloten, ik ben niet meer naar buiten geweest sindsdien.”
“En wie is deze Xyafol?” Het wezen keek mij aan met een forse blik. Je kon het bijna streng noemen.
“Xyafol is mijn broertje… Hij lijkt op mij, behalve dan zijn ogen. Zijn ogen zijn groen…” Ik beantwoordde zijn vragen vrij rustig en onderdanig, en misschien met teveel informatie. En ondanks het feit dat hij mij zojuist aanviel, het was echt beter dit vredig op te lossen. Hij was zeker sterker dan ik.
“En jouw ogen zijn rood.”
Ik knikte om zijn juiste waarneming, en stapte rustig op hem af om de hopelijk opgebouwde vertrouwen te testen.
“En nu zijn er dus twee van jou.” Zijn stem veranderde in een lage meer brullende stem. Het liet mij in een keer plots stilstaan. De sfeer die hij nu afgaf leek niet meer zo betrouwbaar te zijn dan ik had gedacht.
Een zachte brul verliet zijn bek met zijn neusvleugels opgetrokken wat deelnam aan een boos kijkend gezicht. Ik bewoog mijn ogen naar zijn poten die een stap dichterbij mij zette.
“We hoeven elkaar niet aan te vallen,” zei ik vrij rustig en kalm. Langzaam zette ik ook een stap achteruit, maar ik wist dat ik uiteindelijk weer de muur zou tegen komen.
“Laten we er een einde aan maken, Za’afiel.”
Ineens kwam het wezen op mij afgestormd. De afstand tussen ons was niet zo groot als dat het ooit was. En het enige wat ik kende om mijzelf te verdedigen was mijn amateuristische magie.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen