Als het rusteloos met mijn stok draaien begint te vervelen, kijk ik op naar mijn bondgenoot. Peinzend staar ik de jongen aan. "Waarom noemen ze je eigenlijk Day?" Ik voel mijn wangen rood kleuren als ik het verbaasde gezicht van de jongen zie en me besef dat ik mijn overpeinzing hardop heb uitgesproken, maar heel erg vind ik het niet. Ik ben oprecht nieuwsgierig, en de enige manier om hierachter te komen is waarschijnlijk om het gewoon te vragen.

Day grinnikt zacht, en houdt dan zijn hoofd scheef alsof hij in zijn herinneringen verdwijnt. "Nou, eigenlijk is het er per ongeluk in gekomen toen ik een jaar of zeven was en daarna is het nooit meer gestopt." Hij haalt een hand door zijn haar en glimlacht. "Mijn jongste zusje kon nog niet zo goed praten en daardoor klonken haar pogingen om 'Daniel' te zeggen meer als 'Day', waarop mijn broer en zus besloten dat die naam veel beter paste, omdat het schattig klonk." Hij rolt met zijn ogen, maar in zijn blik twinkelt de liefde voor zijn gezin. "Ze bleven me er maar mee plagen, maar steeds meer mensen namen het over, dus ik heb me er maar bij neergelegd."

"Ze hadden wel gelijk,” grinnik ik. “Het klinkt ook schattig, Day." Met een uitdagende grijns op mijn gezicht, woel ik door Days haar. Zijn bijnaam voelt nog steeds als daglicht, als een zonsopkomst, als thuis, maar hoewel ik nu meer heimwee voel dan ooit tevoren, steekt de naam niet meer. Hier en nu lijkt het haast een klein beetje troost te bieden - alsof ik al thuis ben. "Maar ik moet bekennen dat ik 'Danny' nóg leuker vind."

"Nu doe je het gewoon expres." Day snuift verontwaardigd, terwijl hij een poging doet om zijn haar weer te fatsoeneren - niet dat het veel zin heeft, na bijna een week in de Spelen zien we er allemaal nogal verwilderd uit, en de jongen kan het op zich prima hebben - maar zijn glimlach maakt duidelijk dat hij het niet heel erg vindt.

"Ik deed het al de hele tijd expres," grinnik ik. "En geen zorgen, je haar zit nog ongeveer net zo prima als de afgelopen dagen."

"Pestkop." De jongen grimast dramatisch en haalt nog een hand door zijn haar, maar zucht dan en laat zijn hand zakken. "Ik weet niet zeker of ik dat wel echt een geruststellende gedachte vind."

"Zou wel moeten,” antwoord ik meteen. In mijn poging om hem zo onschuldig mogelijk aan te kijken, lukt het me niet om mijn grijns te onderdrukken. “Ik ben de expert."

Day schiet in de lach en kijkt me hoofdschuddend aan. "Dat is waar ook,’ grinnikt hij, “bijna vergeten."

De stilte die volgt voelt zwaarder en zwaarder, als steeds meer vragen zich aan me opdringen. Ik spreek geen ervan uit, maar de jongen lijkt het toch op te merken, want hij werpt me een vragende blik toe. "Is er iets?"

Ik schuifel ongemakkelijk heen en weer en probeer zijn blik te ontwijken, maar als ik voor een fractie van een seconde oogcontact met hem heb, ben ik al aan het praten. "Nou, ik vroeg me af..." Het liefste zou ik nu terugkrabbelen, maar ik weet ook heel goed dat ik het zelf zou haten als iemand in zo’n situatie iets als ‘niets, laat maar’ zou zeggen. Ik kan het toch niet winnen van mijn eigen nieuwsgierigheid. Langzaam kijk ik naar hem op. "Je had een broer?" Meteen zou ik willen dat ik mijn grote, bemoeizieke mond gehouden had, of dat ik gewoon gevraagd had wat zijn lievelingskleur of favoriete pizza was, maar nee, ik moest de bizar persoonlijke vraag stellen. Alsof hij er niet zelf over begonnen zou zijn als het iets was wat hij met de wereld wilde delen - dan had hij dat tijdens de interviews wel gedaan, toen er sowieso al naar zijn familie gevraagd werd.

"Ik..." Day aarzelt en wendt zijn blik af, naar zijn pols, waar hij zijn districtsaandenken draagt. Zijn vingers friemelen met de houten bedeltjes van de armband, zoals ik hem de afgelopen dagen zo vaak heb zien doen, maar nu pas dringt het tot me door dat hij het waarschijnlijk zelf gemaakt heeft. "...heb een broer," maakt hij zacht zijn zin af. Als hij opkijkt, ligt er tot mijn grote opluchting een glimlach op zijn gezicht. "Tegenwoordige tijd."

Heel even staar ik de jongen verdwaasd aan, maar als zijn woorden tot me doordringen, sla ik beschaamd mijn ogen neer. Niet alleen heb ik een botte vraag gesteld, het blijkt ook dat ik een overhaaste conclusie heb getrokken. "Sorry, ik dacht dat-” begin ik, maar in plaats van de verontschuldigingen die ik zou willen - zou moeten - maken, flap ik er alleen maar een excuus uit. Ik weet heel goed dat dingen op die manier recht proberen te praten niet werkt, en toch klamp ik me vast aan mijn eigen uitleg, alsof het alles weer goed maakt. “Toen je over hem praatte, klonk het niet echt alsof hij er nog was. Ik wilde niet-"

Als Day me met een hand op mijn arm het zwijgen oplegt, weet ik dat ik gelijk had - mijn haastige poging om uit te leggen waarom ik de onbeleefde vraag eruit flapte, helpt niets. Maar als ik opkijk naar Day, merk ik dat hij zijn blik niet ongemakkelijk heeft afgewend, of dat hij opgelaten om zich heen kijkt. "Het geeft niet,” zegt hij zacht. “Je hoeft geen excuses aan te bieden. Het is..." De jongen haalt zijn schouders op, voordat hij aarzelend verder gaat. "Het is ook niet helemaal alsof hij er echt is, denk ik."

Terwijl de jongen naar woorden zoekt om een uitleg te geven, vormt een frons zich op mijn gezicht. "Hoe bedoel je?"

Day wendt zijn blik af, en even vrees ik dat ik dan toch te veel onbeleefde vragen heb gesteld mijn blik, maar dan zucht hij zacht. "Mijn broer is... nou ja, niet gewoon uit huis gegaan. Hij is vijf jaar geleden weggelopen van huis,” legt hij uit. “In die jaren heb ik niets van hem gezien of gehoord, dus vandaar." Days stem trilt niet, breekt niet, en voor het eerst sinds ik de jongen ken, is zijn gezicht een glashard, emotieloos masker. Met een gezicht alsof hij tafels aan het opzeggen is, verteld hij dingen die klinken alsof het hem zou moeten laten instorten. Maar de jongen staart bewegingsloos voor zich uit, alsof er al teveel in hem kapot is gegaan om hier nog om te rouwen. Het maakt me razend.

"Is hij gewoon verdwenen?” Waar Days stem vlak en onpeilbaar is, schiet de mijne uit, hard en schel, piepend, tot het tot een diep gegrom zinkt. “Ineens? Terwijl jullie het zo zwaar hadden thuis?" Ik doe niet eens mijn best om mijn gevloek in te slikken, en ieder woord lijkt mijn bloed alleen maar meer te doen koken. Day heeft ruim vijf jaar voor zijn gezin moeten zorgen, alles moeten doen om hen in leven te houden. Hij heeft school opgegeven, zijn vrije tijd, om hele dagen te werken om genoeg te verdienen. Vijf jaar - sinds het vertrek van zijn broer. Hij heeft zijn hele leven op moeten geven, omdat zijn oudere broer zijn verantwoordelijkheid niet nam. De jongen is gewoon weggegaan, en heeft het lot van zijn hele familie achtergelaten in de handen van zijn elfjarige broertje.

Even blijft het stil, en als ik mezelf weer genoeg weet te bedaren om enigszins rustig naar Day te kijken, zie ik dat zijn blik nog altijd emotieloos lijkt, maar inmiddels zijn zijn kaken verstrakt en zijn vuisten gebald. Dan zucht hij, verdwijnt alle spanning, en blijft er niets over dan die eindeloos vermoeide blik, die hem zoveel ouder laat lijken dan hij eigenlijk is. Het laat een ijskoude rilling over mijn rug lopen. "Ik heb hem voor het eerst weer gezien bij het afscheid."

"Wat-” Ik kijk de jongen met grote ogen aan en bal mijn vuisten. “Jemig, het gore lef-” Mijn vaders verschijning tijdens mijn afscheid, dat was één ding. Die man had het recht niet om te komen. Maar nu, vergeleken met de verschijning van Days broer, lijkt dat te verbleken. Mijn vader heeft heel veel fout gedaan, en hij is er nooit genoeg voor ons geweest. Hij heeft ons nooit de steun gegeven die we nodig hadden, en hij heeft ons nooit getroost, ook al waren er honderden keren dat we het nodig hadden. Hij kende ons niet echt, wilde ons niet kennen. Maar hoe moeilijk hij het ons ook gemaakt heeft, we waren altijd een van de gezinnen in het district met een warm huis, stromend water en voldoende eten, ook voordat Luna de Spelen overleefde. Hoewel hij nooit echt geweten heeft, of op zijn minst nooit erkend heeft wie wij waren, heeft hij ons nooit aan ons lot overgelaten. Nooit zo. “En hij heeft nooit iets laten weten?"

Day schudt zijn hoofd. "Niet echt,” zegt hij zacht. “Volgens mij heeft mijn zus een enkele keer contact met hem gehad, maar..." Zijn stem sterft weg en de jongen maakt een wanhopig gebaar in het niets.

"En dat durft zichzelf dan je broer te noemen? Jemig." Ik vloek nogmaals en haast automatisch vinden mijn handen de weg naar mijn stok. Waar het inmiddels zo vertrouwde gevoel van het hout me normaal lijkt te kalmeren, wakkert het nu alleen mijn woede aan. Het liefste zou ik opstaan iets stompen, gewoon weer eens iets stoms doen tot mijn woe wegebt, maar ik klem mijn hand om het hout tot het pijn doet en blijf zitten. Er is niets wat ik kan doen. Terwijl wij - Day, die niets verkeerd gedaan heeft, die zo hard gewerkt heeft en zoveel beter verdiend - in deze vervloekte arena onze dood afwachten, zit die schoft waarschijnlijk lekker warm thuis. Misschien dat hij naar ons kijkt, met de geveinsde interesse van iemand die nog nooit ook maar een piepklein beetje om zijn gezin gegeven heeft, maar zich toch vaag beseft dat het zijn bloedverwant is in deze dodencel. Als dat zo is, dan hoop ik dat hij ieder woord van me hoort - Nee. Ik hoop dat hij ieder woord van me voelt, dat hij ziet dat ieder spoor van zijn broertjes glimlach verdwenen is, en dat hij stikt. Of dat in zijn schuldgevoel is, of in zijn drinken, is me om het even.

Maar net als ik overeind wil komen en lekker ouderwets een trap tegen de boom wil verkopen, bij het gebrek aan muren hier - ook al weet ik dat ik hier geen wonderzalf meer heb die de schaafwonden in een halfuurtje geneest - zie ik de barstjes in Days masker. De jongen haalt zijn schouders op, maar dat is niet omdat hij er niet om geeft. Het is omdat hij er te veel om geeft, veel te veel, na al die jaren. Tussen zijn moedeloosheid en verdriet, zie ik flitsen van woede. Het laat zijn blik oneindig veel donkerder lijken, alsof de hemel dichttrekt, vlak voor de grootste onweersbui van het jaar losbarst. Maar Day huilt niet, en hij schreeuwt ook niet. De storm beperkt zich tot zijn blik, die steeds wateriger wordt.

De greep om mijn stok verslapt, terwijl de woede en kracht uit mijn spieren sijpelt. Tegen de tijd dat mijn vingers zich met die van Day vervlechten, is mijn aanraking zacht en voorzichtig. "Het maakt ook niet meer uit nu,” mompel ik. “Alles wordt nu hoe dan ook anders." Het is niet echt een troost, maar meer kan ik op dit moment niet bieden. Ik kan niet zeggen dat het beter wordt.

Day knijpt zachtjes in mijn hand en knikt naar me. "Ik hoop dat er ook iets van goede verandering bij hoort," zegt hij zacht. Ik heb er geen antwoord op, hoe graag hij het ook zou willen horen. Ik weet beter. En dus knijp ik enkel terug in zijn hand.

Als het volkslied door de avondlucht schalt, schrik ik op. Naast me krimpt Day ineen. We weten wat er gaat komen, ook al zouden we graag geloven dat het anders is. Heel even aarzel ik, bang om de vermoeide, gewonde en verdrietige jongen te laten schrikken, maar dan leg ik troostend mijn hand op zijn rug. Amelia’s gezicht verschijnt aan de hemel, waarmee alles wat we eigenlijk al wisten wordt bevestigd.

Mijn bondgenoot kijkt met betraande ogen omhoog, terwijl hij zo diep mogelijk in- en uitademt. Langzaam zakken zijn gespannen schouders weer omlaag, en als het portret verdwijnt en de hemel weer zwart wordt, veegt hij vlug zijn ogen af. Dan kijkt hij op naar mij. "Ik had niet verwacht dat alles zo snel-" Days stem trilt en slaat over, meer dan de mijne daarstraks, als hij naar de rest van de boomhut gebaart. Het is stil, en het is leeg. Ik kan de meiden er nog zien zitten, liggen, wat dan ook, maar de werkelijkheid is dat ze weg zijn. Allemaal. In minder dan vierentwintig uur zijn we ons bondgenootschap kwijtgeraakt.

Ik bijt op mijn lip. "Ik ook niet,” geef ik dan toe. “Maar ik ben blij dat jij- dat jij nog..." Ik haal mijn schouders op, maar in gedachten ben ik weer in de mist, hoor ik het geluid van het kanon, en kan ik er alleen nog maar aan denken dat het van hem is.

Days glimlach, klein, maar oprecht, trekt me terug in de werkelijkheid. Het was niet zijn kanon. Dat waren ze allemaal niet. We leven nog. Hij leeft nog. "Insgelijks,” zegt hij zacht. “Heel blij."

Ik laat mijn hand omlaag glijden en vervlecht opnieuw mijn vingers met die van hem. Ik glimlach zwakjes terug als hij zacht in mijn hand knijpt. De hut voelt veel te leeg, en ik weet dat het nu ieder moment mistig en koud kan worden. Maar voor nu hoef ik me geen zorgen te maken. Nog niet. Voor nu zijn we veilig.

De stilte op de vlakte maakt ons echter allebei nerveus, en dat wordt erger zodra de eerste sporen van de witte waas verschijnen. Naast me schuift Day onrustig heen en weer, laat dan mijn hand los en draait zich naar me toe. "Zullen we een spelletje doen?” vraagt hij, met een scheve glimlach op zijn gezicht. “Gewoon iets om een beetje bezig te blijven."

Hoelang heb ik zijn hand vastgehouden? Seconden, minuten, uren? Het bloed stijgt naar mijn wangen en ik schuif snel een klein stukje opzij, ook al voelt alles daardoor onmiddellijk koud en leeg. Als de jongen zijn hand niet teruggetrokken had, had ik de hele nacht zo kunnen blijven zitten, maar hoe graag ik zijn warmte ook weer wil voelen, ik ontwijk zijn blik. "Ja, dat klinkt wel als een plan," mompel ik, dankbaar voor de afleiding. Een spelletje is een goed idee. Ik wil niet hoeven denken aan de lege hut, aan de mist en aan de ruimte tussen mij en mijn bondgenoot in, en wat er zou gebeuren als ik die zou overbruggen, hier en nu.

Vanuit mijn ooghoeken zie ik Day knikken, en even blijft het stil. "Ik ga op reis en ik neem mee?" suggereert hij dan.

Ik glimlach zwakjes en kijk op, als ik merk dat er een last van mijn schouders valt waarvan ik niet eens wist dat hij er was. Ikzelf kon alleen maar denken aan ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’, aan Bo’s lach toen ik zijn gekozen ding niet raadde - mijn ogen; je mag niet iemands ogen kiezen, die kun je zelf niet zien, dus dat is vet oneerlijk - en aan mijn triomfantelijke gevoel toen ik hetzelfde bij hem terug deed - wat hij onmiddellijk door had, helaas. Hoewel het een goede herinnering is, steekt het nu. De dingen hadden anders moeten lopen. Misschien was hij dan hier geweest, en had hij dat spel voorgesteld. Dan hadden we kunnen kijken hoe snel Day zou raden wat er hier grijsgroen is. Dan hadden we samen kunnen lachen. Maar nu voelt alles koud. Ik haal diep adem, puttend uit ieder beetje wijsheid dat Celese me heeft meegegeven, en laat de herinnering wegdrijven tot ik terug ben in het hier en nu, naast mijn bondgenoot. "Ik ga op reis en ik neem mee..." De enige echte reis die ik gemaakt heb, was die via het Capitool naar de arena, maar daar wil ik nu niet aan denken. Ik wil denken aan andere reizen, over de hele wereld, zonder constante doodsbedreigingen. Luna zou vast een hele lijst met praktische dingen kunnen bedenken voor zo’n reis, en zou daar dan mee zwaaien terwijl ik mijn koffer in zou pakken. Maar in mijn hoofd komt helemaal niets op, tot mijn peinzende blik op Day blijft rusten. "Nou, sowieso jou."

Wat? Meteen stijgt het bloed naar mijn wangen, als ik niet voor de eerste keer vanavond een belachelijke, stomme faux pas maak. Dat was vreemd - natuurlijk was dat vreemd. Ik had gewoon iets als een zonnebril moeten noemen, of een kaart, of wat dan ook, maar niet dit. Niet hem. Ik zou willen dat ik in het niets kon verdwijnen.

Dan verandert Days verbaasde blik in een brede glimlach, die me ervan weerhoudt om mijn knalrode hoofd in mijn handen te verbergen. "Ik ga op reis en ik neem mee…” herhaalt hij dan. Zijn stem is warm, en laat me even vergeten hoe koud en leeg alles voelt. Als ik al een fout gemaakt heb, vindt hij het duidelijk niet heel erg. “Sowieso jou,” antwoordt hij, terwijl zijn lach steeds breder wordt, “en koekjes."

Reacties (2)

  • Megaeraaa

    Chris moet echt leren zijn mond te houden.
    Dit had ik niet verwacht. Geen wonder dat Day zo volwassen is. Het is puur trauma
    Ik besef nu pas hoe veel serieuzer ze zijn geworden in de arena 😥

    “Sowieso jou,” antwoordt hij, terwijl zijn lach steeds breder wordt, “en koekjes."
    CUTEEE

    1 dag geleden
    • Samanthablaze

      Ergens wel, maar hé, Day had zoiets nooit uit zichzelf verteld
      Jep, dat, en daarnaast lijkt iedereen volwassen naast Chris
      Ja het is moeilijk om het comedy deel te houden als je ook een logische reactie wil schrijven op alle vreselijke dingen die gebeuren enzo
      :') Toch niet zo heel serieus

      1 dag geleden
  • Duendes

    Zijn bijnaam voelt nog steeds als daglicht, als een zonsopkomst, als thuis, maar hoewel ik nu meer heimwee voel dan ooit tevoren, steekt de naam niet meer. Hier en nu lijkt het haast een klein beetje troost te bieden - alsof ik al thuis ben.

    Dit is zo super precious en echt heel erg sweet awh het is zo lief en also kinda pijnlijk hoe Day hem tijdens de Hongerspelen meer een thuis heeft kunnen bieden dan zijn vader in al die jaren rip

    Niet alleen heb ik een botte vraag gesteld, het blijkt ook dat ik een overhaaste conclusie heb getrokken.

    Chris baby zo lomp was je vraag ook weer niet awh en het is logisch dat je conclusies trekt oeps awh relax het valt allemaal mee

    Days stem trilt niet, breekt niet, en voor het eerst sinds ik de jongen ken, is zijn gezicht een glashard, emotieloos masker.

    Die is kinda heartbreaking gosh oef like dit is zo duidelijk niet hoe Day verder op alles reageert awh

    Of dat in zijn schuldgevoel is, of in zijn drinken, is me om het even.

    Ik hou zoveel van deze jongen ohmygosh wat een schatje, wat een icoon, GO CHRIS

    Tussen zijn moedeloosheid en verdriet, zie ik flitsen van woede. Het laat zijn blik oneindig veel donkerder lijken, alsof de hemel dichttrekt, vlak voor de grootste onweersbui van het jaar losbarst.

    Plottwist time: Day voelt zeker wel woede alleen heeft dat echt nog nooit laten zien oeps awh dus dat moet voor Chris ook gek zijn om te zien awhh al is het maar een spoortje woede

    Ik kan de meiden er nog zien zitten, liggen, wat dan ook, maar de werkelijkheid is dat ze weg zijn. Allemaal. In minder dan vierentwintig uur zijn we ons bondgenootschap kwijtgeraakt.

    Dat is ook gewoon zo intens wel gosh like ze waren gewoon met vijf en nu zijn ze nog maar met twee, dat is bizar snel gegaan en heel heftig wel awhh

    en aan mijn triomfantelijke gevoel toen ik hetzelfde bij hem terug deed - wat hij onmiddellijk door had, helaas.

    Chris AWH wat een cutie gosh Chris en Bo waren ook wel ziek precious samen awh dat mis ik

    of wat dan ook, maar niet dit. Niet hem. Ik zou willen dat ik in het niets kon verdwijnen.

    Oké het was misschien inderdaad niet het meest handige en logische en voor de hand liggende antwoord, maar HET WAS ECHT SUPER CUTE CHRIS niet zo cringen om jezelf het was ADORABLE dit hoofdstuk is fijn awh ze zijn echt cute samen

    1 week geleden
    • Samanthablaze

      De lat lag ook dieptriest laag
      Nope paniek tijd
      Nogal niet yikes
      Ikr wat een loser
      Ja dat is bizar want zo is Day gewoon niet meestal
      Yeah ineens is iedereen gewoon weg
      I knowww het was zo precious
      Yeah Chris realiseert zich net te laat dat hij dat eigenlijk helemaal niet durft te zeggen, oeps. En dan heeft die verliefde sukkel het er al uit geflapt

      1 week geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen