Dit hoofdstuk is in de eerste plaats ruim twee keer zo lang als de bedoeling was, en in de tweede plaats heeft het meer cursieve tekst dan praktisch is. Q is niet bepaald cursief-vriendelijk en het is zeer goed mogelijk dat ik wat cursief bedoelde passages gemist heb toen ik de codes toe probeerde te voegen.
Dit heeft er dan ook mede voor gezorgd dat dit hoofdstuk vertraagd was (langere hoofdstukken --> meer werk. Duh). Niet dat ik iemand een uitleg verschuldigd ben. Sorry, not sorry, mensen. Het is meer dan ik in de jaren hiervoor gedaan heb.


In het begin lijkt de tijd voorbij te vliegen. Besef van tijd bestaat sowieso niet hier, waar de nachtelijke hemel nauwelijks een teken geeft van hoe laat het is en dikke mistslierten de lucht steeds meer aan ons zicht onttrekken, maar mijn lichaam merkt de wegtikkende minuten, uren, wel degelijk op. In de stiltes die meer en meer vallen als de opties voor spelletjes uitgeput beginnen te raken, merk ik hoe zwaar en duf mijn lichaam voelt, ondanks dat ik vandaag meer dan genoeg tijd gekregen heb om bij te komen van de korte nachten. De kou, die inmiddels haar intrede weer gemaakt heeft, heeft zich ondanks onze dekens in mijn spieren en botten genesteld, en ik weet dat ik het pas weer warm zal hebben als de mist optrekt - áls dat ooit gebeurd. Na vanmorgen ben ik daar niet meer zo zeker van als ik graag zou willen. Wat als de mist steeds langer blijft hangen, tot we er ‘s nachts noch overdag veilig voor zijn?

De lucht die ik met een zachte zucht uitadem, vormt witte wolkjes in de kou. Voor even lijken ze te dansen, misschien wel te vliegen, maar dan gaan ze op in de witte waas om ons heen, alsof ze daar altijd al deel van uit hebben gemaakt. In de stilte probeer ik uit alle macht ernaar te blijven kijken - ik probeer uit alle macht te doen alsof ik de schimmen in de mist niet zie. Nee, ik zie ze niet. Ze bestaan niet. Ik zet ze op de lange lijst van ‘dingen die echt lijken, maar het niet blijken te zijn’, onder de sterrenhemel hier, de bloemen in het Capitool, Days glimlach de laatste paar dagen en de herinnering aan mijn vader die ooit, toen ik een jong kind was, naar ons lachte en vol trots verklaarde dat hij van zijn kinderen hield. Deze keer zal het me in ieder geval niet teleurstellen. Sommige dingen zijn beter als ze niet bestaan.

Maar hoe hard ik ook tegen mezelf probeer te zeggen dat het niet echt is, mijn blik dwaalt telkens terug naar de vlakte. En soms, heel soms, is het alsof ik door de mist heen kijk. Ik zie dan geen schimmen in een witte waas meer - ik zie zelfs geen uitgestrekt grasland. Het is alsof dat allemaal illusies waren. Ik zie enkel nog ijzeren muren en een ijzeren dak, bezaaid met talloze lampen, die na een keer knipperen gewoon weer sterren zijn. Misschien was dan echt niets hiervan echt - de boom niet, het gras niet, en ze zon al helemaal niet. Wat dan wel? Zodra de vraag door mijn hoofd schiet, geeft iets zwaarmoedigs in mij onmiddellijk antwoord: niets. Het is niet het antwoord wat ik zou willen geven, en dus druk ik het idee onmiddellijk weer weg. Maar terwijl ik in mijn hoofd op zoek ga naar iets dat wel echt is, blijft het steeds weer opduiken. Niets. De gedachte maakt me gek. Niets. Niets.

Uiteindelijk is het te lang stil, waardoor ik te lang niets anders dan mijn eigen gedachten hoor. Ik spring overeind, mijn hand stevig om mijn stok gepland. "Dit houden we niet lang meer vol,” mompel ik. Het zit niet heel ver van de waarheid af, hoewel mijn bondgenoot het misschien wel nog een uur had volgehouden, misschien zelfs meer. Maar ik niet. Niet vanwege de mist, en de stomme schimmen die me nerveus maken - die zijn niet echt. Het zijn mijn eigen gedachten, die ervoor zorgen dat ik waanzinnig wordt als ik langer hier moet blijven zitten, focussen en wachten. “We moeten klaarstaan om-” Mijn stem valt stil als ik me omdraai naar mijn bondgenoot, en een lege hut aantref. "Daniel?" Ik kijk om me heen, turend in het duister, en loop wat verder de boomhut in. Het bleke, neppe maanlicht dat door de deur naar binnen valt, was steeds genoeg om de schimmen van de anderen te herkennen, maar nu, ondanks datzelfde licht, zie ik niets. Er is niets. De boomhut is leeg en Day is weg.

Wat als hij er nooit geweest is? Hoewel ik me er vaag bewust van ben hoe irrationeel die gedachte is, kan ik hem niet stoppen, en al snel vult hij heel mijn hoofd, terwijl ik om me heen kijk, wanhopig op zoek naar een teken, wat dan ook, dat hij er wel is - was. Maar zelfs het vertrouwde silhouet van zijn rugzak is verdwenen. Wat als ik het allemaal verzonnen heb? Wat als hij niet echt was?

De gedachte lijkt mijn keel dicht te knijpen, en hoewel ik probeer mezelf onder controle te houden, voel ik mijn ademhaling versnellen. Ik wist dat het te mooi was om waar te zijn: de jongen met zijn groene ogen en warme lach, die me meteen als een vriend behandelde, zonder de vooroordelen waar ik bang voor was, was alles waar ik nooit aan had durven denken. Iemand als hij, die geliefd lijkt door iedereen die naar hem kijkt, zou thuis nog geen twee keer naar me gekeken hebben - laat staan dat hij naar me toe zou komen, met mij zou praten en zelfs mijn bondgenoot zou willen zijn. Was ik dan echt naïef genoeg om te geloven dat het hier anders zou zijn?

Ik weet heel goed dat ik eenzaam was. Het was oké toen Luna en ik samen eenzaam waren, maar sinds ze getrokken werd, is dat ‘samen’ slechts een illusie. Wat als ik gewoon niet alleen wilde doodgaan? Is dat zo’n gekke gedachte? Ik schud mijn hoofd en kijk nogmaals de hut rond, knipper verwoed met mijn ogen, maar het beeld verandert niet. De hut is leeg, alsof er nooit iemand anders geweest is. Hij komt niet terug als ik mezelf vertel dat hij wél echt is - misschien omdat ik het niet echt meer geloof. Er is enkel zwak maanlicht en mist.

Ik staak mijn pogingen om mezelf overeind te houden en laat me door mijn knieën zakken. Mijn vingers klem ik steviger om te stok heen, zodat ik zeker weet dat in ieder geval dat nog echt is - ik kan het hout haast in mijn vingers voelen snijden, en hoewel het pijn doet, zou het honderden keren erger zijn geweest als mijn laatste beetje houvast zou zijn opgegaan in mist. Ik ben alleen, en misschien ben ik dat al wel de hele tijd geweest. Als dat het geval is, dan is er in feite niets veranderd. Er is geen reden om in paniek te raken.

Maar de waarheid is dat juist alles anders is. Nu Day weg is, voelt de lucht in mijn longen te dik en te zwaar, voelt de nacht te donker, en kan ik de mistslierten overal om me heen voelen zweven. Hij mag niet weg zijn. Hij kan niet weg zijn. Ik heb hem nu nodig. Als ik hem verzonnen zou hebben, zou hij nu niet zomaar mogen verdwijnen. Niet nu. Ik kan nu niet alleen zijn. Alsjeblieft.

Als ik een hand op mijn arm voel, schiet ik onmiddellijk overeind, met mijn wapen in de aanslag. Hoewel ik seconden geleden nog alle goden zou smeken om me te laten weten dat ik niet alleen was, zorgt de aanraking ervoor dat mijn hart bijna uit mijn borstkas bonst. De spanning trekt als een schok door mijn lijf en blijft als een knoop in mijn maag hangen, en trekt dan langzaam weer weg, terwijl ik het duister afspeur naar íéts, íémand, wat dan ook. Er is enkel mist, mist en maanlicht. Wat als ik het gevoel van zijn hand op mijn arm gewoon verzonnen heb? Ik huiver en schud nogmaals mijn hoofd, ook al lijkt de angst zich daarmee alleen maar dieper in mijn gedachten te planten. "Daniel?" weet ik hees uit te brengen. Het is geen echte vraag - het is een smeekbede. Kom terug. Ik kan niet alleen zijn.

"Chris. Hier." De stem is zacht en hol, alsof het geluid door een dikke, metalen wand moet komen, maar het is onmiskenbaar Days stem.

En wat als ook dit niet echt is? Nee. Ik negeer de gedachte en sluit mijn ogen, terwijl ik me uit alle macht focus op de wegstervende klanken van het stemgeluid. Voorzichtig steek ik mijn hand uit, tot mijn vingertoppen tegen de bekend voelende stof strijken. Als ik mijn ogen open, knipper ik tegen het donker en de mist, en kijk dan op. Voor me, als een haast onzichtbaar silhouet, staat mijn bondgenoot. “Day.” Zijn naam klinkt meer als een hese snik, als de spanning die me de afgelopen minuten vasthield in één keer verdwijnt en de tranen in mijn ogen springen.

"Je bent er. Het was de mist." Zijn stem klinkt al net zo hees als de mijne, en als hij wat dichter naar me toe stapt, zie ik dat hij trilt. "Ik ben hier." De jongen kijkt me geruststellend aan, terwijl zijn vingers zich om de mijne vouwen. "We moeten bij elkaar blijven. Als de mist-" Day hapert en bijt op zijn lip, maar tovert dan toch een zwakke glimlach tevoorschijn. "Ontwijken werkt dus inderdaad niet meer. Gaan we het dan maar gewoon verslaan?"

Ik knijp in zijn hand, bang dat hij weer verdwijnt, maar als de jongen tot mijn enorme opluchting niet opgaat in mist, knik ik kleintjes naar hem. "Het was gewoon de mist,” mompel ik. Daardoor konden we elkaar niet zien. Het was gewoon de zoveelste truc van het Capitool om ons gek te maken. Ik heb Day niet verzonnen - natuurlijk niet. We hebben samen teveel meegemaakt. Dat kan niet allemaal een verzinsel geweest zijn. “Je bent echt,” fluister ik. “Je bent-" Weet je dat wel zeker? Als ik meer met Celese gemediteerd had en de vaardigheid had gehad om naar dat ‘geestespaleis’ te gaan waar ik haar over heb horen ratelen, zou ik er nu heen gaan, de stem opzoeken die de laatste dagen zo hard angstig blijft schreeuwen dat ik nauwelijks nog andere dingen kan horen, en die een harder pak rammel geven dan de Beroeps met mij zouden doen. Ik ben het spuugzat om steeds maar bang te zijn, en om aan alles te twijfelen. Ik mis de jongen die niet nadacht, die gewoon deed wat hij voelde, ook al was dat soms zonder goede reden uit een boom springen. Het is makkelijker om niet na te hoeven denken over consequenties, om niet stil te staan bij gevolgen. De jongen die al die jaren terug uit de boom sprong, zou zich hier zonder aarzeling in Days armen laten vallen. Maar hoe graag ik de angstige stem ook in elkaar zou willen slaan, ik weet dat hij een punt heeft. En hoewel dat ervoor zorgt dat ik hem nog liever zou willen stompen en mijn impuls zou willen volgen, blijf ik staan, en kijk nerveus naar de jongen op, in een poging een glimp van zijn ogen op te vangen in het duister. Het feit dat ik Day hier voor me zie, mag dan betekenen dat ik hem niet verzonnen heb, het betekent nog steeds niet dat hij echt is. Het zou niet de eerste keer zijn dat de Spelmakers zouden proberen me op die manier in de val te lokken. "Wat voor koekjes had ik voor je meegenomen, toen je die weddenschap won?" Meteen als ik de vraag eruit geflapt heb, besef ik me dat het een slechte vraag is: ik heb geen idee wat het antwoord is.

"Wat?" Day staart me even verward aan, voor er een peinzende frons op zijn gezicht verschijnt. "Was het chocola?” suggereert hij aarzelend, maar dan breekt er een scheve glimlach door op zijn gezicht. “Het was in ieder geval geen boombast, want dan had je niet al de helft opgegeten voordat je op de zevende verdieping kwam."

Het maakt niet uit dat we geen van beiden echt het antwoord weten - dit is genoeg. Day is hier, en hij is echt.

Maar voor ik hem opgelucht een knuffel kan geven en op kan biechten dat ik het eigenlijk ook niet meer weet, vervaagt Days lach weer, terwijl hij nerveus om zich heen kijkt. "Blijven we hier binnen of moeten we iets anders proberen?"

"Het is hier te klein om fatsoenlijk te vechten." Ik knik naar mijn stok, en dan naar de rest van de hut. "Ik denk dat ik jou dan net zo veel ga raken als de mist."

"In dat geval kunnen we beter naar buiten gaan." Day trekt zijn mondhoek op tot een scheve glimlach. "Tot nu toe bevalt geraakt worden me namelijk niet heel goed." Eventjes dwaalt zijn blik naar zijn bijl, maar dan knikt hij kleintjes. Erg overtuigend is het niet.

"We blijven bij elkaar en in de buurt van de boom," zeg ik, in een poging hem gerust te stellen, maar veel lijkt het niet te helpen. De jongen bijt op zijn lip en wendt zijn blik af. Hij wil niet vechten - dat heeft hij nooit gewild. Toen we aangevallen werden door de minotaurus, deed hij het om ons en zichzelf te beschermen, en toen we tegen Samuel en Florian vochten, heeft hij in de praktijk nauwelijks klappen uitgedeeld. "Het is niet echt,” zeg ik zacht, en ik weet meteen dat Day niet de enige is die ik moet zien te overtuigen. Ik weet heel goed hoe echt het lijkt, en waar mijn vuisten eerder vannacht jeukten om iets te stompen, voelt het niet goed meer nu we daadwerkelijk op het punt staan om dat te doen. “Het zijn geen mensen." Ze bloeden niet, maar gaan op in mist. Ze zijn niet echt. Zij niet. Zolang ik de tijd heb om erover na te denken, lijkt het simpel en logisch. Maar ik weet dat, zodra ik door de mist omringd ben, dat lang niet meer zo makkelijk is.

"Ik weet het," mompelt Day, en hij knikt, ook al lijkt hij nog altijd verre van overtuigd. "Alleen..." De jongen onderbreekt zichzelf door zijn hoofd te schudden. Als zijn blik naar mijn stok glijdt, doe ik een poging om iets rechter overeind te gaan staan en iets minder op het wapen te leunen. Dan glijdt zijn hand naar zijn riem, en kan ik niet anders dan verschrikt achteruit deinzen als ik de schittering van Augusts dolk in zijn hand zie verschijnen. Heel even zie ik hem weer voor me, terwijl hij boven me uittorent, omringd door mist, met een klein mesje in zijn hand dat van mijn bloed druipt. Jij bent niet de enige die zulke spelletjes kan spelen. Maar de jongen werpt me enkel een bezorgde blik toe, en draait dan de dolk om in zijn hand om me het heft aan te reiken. "Wil je deze?"

Heel even staar ik hem aan en haal diep adem. Er is niets. Dit is niet de jongen die me zo liefdevol aanraakte, om vervolgens mijn rug open te snijden en me tegen de grond te drukken. De jongen die ik gezoend zou hebben als hij me op dat moment niet met een spottende grijns verraden had, bestaat niet echt. De jongen die voor me staat wel. Hij is mijn bondgenoot. Hij gaat me niets doen. Ik schud mijn hoofd. "Nee, hou maar,” antwoord ik, niet half zo stabiel als ik graag zou willen. Ik gebaar naar de stok en forceer een scheve glimlach. “Ik red me wel." Zelfs kijken naar het wapen maakt me nerveus. Als ik niet bang zou zijn dat we het later nodig gaan krijgen, zou ik ervoor gezorgd hebben dat de dolk zo ver mogelijk bij ons vandaan zou komen. Ik wil het wapen niet zien, en het opgedroogde bloed dat erop zit ook niet. Maar vooral mijn eigen spiegelbeeld, waarbij de blik in mijn ogen zoveel killer, zoveel grauwer lijkt wil ik nooit meer in dat wapen zien.

"Weet je het zeker?" Day weet zijn verbazing niet te verbergen, maar bergt de dolk dan weer op. "Oké." Hij haalt diep adem en kijkt naar buiten, maar richt zich dan weer tot mij, en kijkt me doordringend aan. "Wees voorzichtig."

Ook al heb ik die woorden in mijn leven honderden keren genegeerd, en is de kans dat ik dat vanavond weer doe groot, ik knik. "Jij ook." Voor ik naar buiten stap, blijf ik aarzelend staan, en werp mijn bondgenoot een onrustige blik toe. "Blijf bij me, oké?"

"Als jij dat ook doet." Day glimlacht, terwijl hij zijn bijl oppakt. Zijn vingers trillen echter nog steeds, en ik weet dat hij daar alle reden toe heeft.

Heel even zwijg ik, op zoek naar iets om naar te kijken, om te verhullen dat ik zijn blik ontwijk. Ik zou het hem moeten beloven. Het zou niet zo moeilijk moeten zijn. Maar ik weet beter. "Ik doe mijn best." Voor hij iets terug kan zeggen, keer ik hem de rug toe en begin aan mijn klim omlaag.

Eenmaal weg uit de beschutting van de hut, kan ik niet anders dan huiveren. De mist voelt koud tegen mijn huid, snijdend haast, en iedere ademhaling lijkt zwaarder. Meteen zodra mijn voeten het gras raken, lijken de schimmen duidelijker te worden, alsof de monsters in de mist onmiddellijk op ons af duiken. Terwijl Day naast me landt en nerveus om zich heen kijkt, hef ik mijn stok. Ik weet wat echt is, en wat niet. Ze zijn niet meer dan lucht, schaduw en gif. Laat ze maar komen.

De eerste schim die een vaste gedaante aanneemt, lijkt op Ada, en hoewel ik haar grijze ogen zie, kleurloos en dof, blijft mijn stok in de lucht steken. Wat zou District 11 nu zien? Een herhaling van gisteravond, toen ik bereid was het meisje, mijn districts- en bondgenote, echt te doden? Ik bijt op mijn lip en schud mijn hoofd. Het was toen niet echt, en nu net zo min. Als ik mijn ogen zou sluiten en ik haar gezicht niet meer zou zien, zou ze enkel mist zijn. Ik klem mijn kiezen op elkaar en laat de stok neerkomen. De verschijning spat in witte mistslierten uit elkaar en verdwijnt in de nacht.

Bij de volgende verschijning aarzel ik niet, zelfs niet als ik in Parveens angstige ogen kijk. De gepijnigde kreet die hij slaakt, het moment wanneer mijn stok zijn hals raakt en hij vervaagt, gaat echter door merg en been, zodat ik voor even niet meer weet hoe ik me moet bewegen. Het is onmiskenbaar Parveens stem, die ik niet meer gehoord heb sinds de korte succeswensen die we elkaar in ge hovercraft gegeven hebben. Het is allemaal niet echt - maar het is wel zijn stem. De gedachte dat zijn schreeuw nu misschien het laatste geluid is dat ik ooit van hem hoor, maakt dat ik het liefste ineen zou willen duiken op de grond, met mijn handen tegen mijn oren en mijn ogen dicht, zodat ik kan doen alsof de wereld niet echt is totdat het me hardhandig het tegendeel bewijst.

Ik doe het niet. In plaats daarvan kijk ik naar Day, bij wie de tranen ook al over zijn wangen stromen, als hij zijn bijl heft en de verschijning van een tribuut doorklieft. Het beeld zou me eerder misselijk en bang gemaakt hebben: de weerloze, ongewapende tribuut, die gebroken neerstort terwijl zijn bloed op Days gezicht spat. Maar mijn bondgenoot heeft niet die blik die ik zo vrees in zijn ogen, ijskoud en keihard. Hij huilt om de illusie die hij doodt, ook al weet ook hij dat het niet echt is. Heel even kruist zijn blik de mijne, en rechten we allebei onze rug. We zijn elkaars dekking. We weigeren die te laten vallen, wat er ook gebeurt. Zonder zelfs maar te kijken naar het gezicht van de volgende verschijning, laat ik mijn stok neerkomen.

Het is makkelijker om niet te kijken. Zolang ik niet zie wie er voor me staat, kan ik niet gaan twijfelen. Ik kan om me heen blijven slaan, zelfs als mijn armen zwaar beginnen te voelen en mijn longen branden. Schim na schim, golf na golf. Eenmaal in het ritme van de strijd, hoef ik nergens meer over na te denken. De aanvallen zijn net zo goed deel van me als mijn hartslag, en die van Day. Want hier en nu, omgeven door mist, valt niet meer te zeggen waar de mijne stopt en die van hem begint. Als we elkaar aankijken, besef ik me dat we voor het eerst écht een team zijn.

En dus twijfel ik niet meer, denk ik niet meer, zelfs niet als mijn blik toch afdwaalt naar de schim voor me, en ik zijn gezicht zie, smekend en angstig, maar met veel te kleurloze ogen. Dit is niet mijn bondgenoot. Die staat achter me, beschermt me, en vertrouwt erop dat ik weet wat echt is en wat niet. Ik negeer hoe koud en nat mijn wangen voelen en haal hard naar de schim uit.

De seconde dat ik naar zijn verdwijnende lichaam staar en probeer op adem te komen, trekt een rode flits in mijn ooghoeken mijn aandacht. Verward kijk ik op, uit mijn ritme gebracht, terwijl mijn gedachten - en aanzienlijk toegenomen misselijkheid - terugvloeien. Daar, achter de vage, witte muur waaruit de monsters steeds verschijnen, staat een tribuut, en de rode kleur van zijn shirt herken ik nog altijd uit duizenden.

Het kan niet. Je weet toch beter, Chris? Niet nog eens. Nooit meer. Maar weet ik het wel echt zo zeker? Mijn blik flitst opnieuw naar Day, die met een klap zijn bijl laat neerkomen. Wat als het niet echt was? Wat als hij zich vergist heeft? Wat als het allemaal een leugen was? Het leek zo onwaarschijnlijk, en zo voelt het nog steeds. Misschien dat hij het mis had. Misschien dat hij bewust gelogen heeft. Wat als hij wilde voorkomen dat ik hem zou gaan zoeken? Wat als hij bang was dat ik hem hiervoor zou laten vallen? Ik heb enkel zijn woord om op te vertrouwen. Wat als dit je enige kans is om de waarheid te achterhalen? De enige kans om hem nog terug te zien? Het is niet genoeg.

Ik werp nog een blik over mijn schouder. “Het spijt me,” fluister ik schor, ook al weet ik dat hij het niet hoort. Ook al heb ik de belofte niet gemaakt, ik wil hem alsnog niet breken. “Vergeef me dit. Alsjeblieft.” Dan haal ik diep adem en ren de mist in, terwijl ik zijn naam fluister - een harder geluid kan mijn instabiele stem niet aan. “Bo.”

Reacties (3)

  • Megaeraaa

    NEE IDIOOT STOP MET IMPULSIEF ZIJN!!!

    Ik zet ze op de lange lijst van ‘dingen die echt lijken, maar het niet blijken te zijn’, onder de sterrenhemel hier, de bloemen in het Capitool, Days glimlach de laatste paar dagen en de herinnering aan mijn vader die ooit, toen ik een jong kind was, naar ons lachte en vol trots verklaarde dat hij van zijn kinderen hield
    xDhet is wel waar van de bloemen
    De pijn die hier in doorklinkt

    Dit is niet mijn bondgenoot. Die staat achter me, beschermt me, en vertrouwt erop dat ik weet wat echt is en wat niet.
    Dat hebben we nodig

    1 maand geleden
    • Samanthablaze

      Hij deed zijn best. Helaas wisten de Spelmakers wat ervoor zou kunne zorgen dat hij al het andere laat vallen
      De rest is ook waar, whoops
      Precies, toch nog een klein beetje helderheid

      1 maand geleden
  • Duendes

    Days glimlach de laatste paar dagen en de herinnering aan mijn vader die ooit, toen ik een jong kind was, naar ons lachte en vol trots verklaarde dat hij van zijn kinderen hield.

    Ten eerste au en ten tweede DUBBEL AU??? Dat is intens gosh awh aaahh die is heel pijnlijk stomme lijst

    was alles waar ik nooit aan had durven denken.

    Holyshit dat is zo super cute?? AWH? Like ohgosh wat een schatje awh Chris dat is adorable maar geen zorgen babe Day is wel echt awhhh

    Hij wil niet vechten - dat heeft hij nooit gewild. Toen we aangevallen werden door de minotaurus, deed hij het om ons en zichzelf te beschermen

    Arme Day oeps hij wil gewoon zo graag echt niet awh en like kinda het is zo anders dan de rest want tbh Jade en Chris waren best wel aan het viben in gevechten met mutilanten want die zijn toch niet echt dus yeah iets gooo

    De gedachte dat zijn schreeuw nu misschien het laatste geluid is dat ik ooit van hem hoor

    Ohmygosh shit man maar dat is écht heel heel heel erg naar oef en also hoe komen ze aan het geluid? Opgenomen? Iedereen hier heeft al veel pijn gehad maar het is toch een hele nare gedachte rip Parveen

    Maar mijn bondgenoot heeft niet die blik die ik zo vrees in zijn ogen, ijskoud en keihard. Hij huilt om de illusie die hij doodt, ook al weet ook hij dat het niet echt is.

    Het is zo valid dat ze allebei hiervan van streek zijn want like de mutilanten hebben allemaal de vormen van bekenden en het is zo naar gosh en awh Day is zoveel te gevoelig voor de Hongerspelen man hij kan dit echt niet oeps

    Als we elkaar aankijken, besef ik me dat we voor het eerst écht een team zijn.

    Het duurt kort maar het was heel even zo fijn oeps rip ze werkten zo goed samen en like damn Powerful en eh tja rip

    Ik negeer hoe koud en nat mijn wangen voelen en haal hard naar de schim uit.

    Zelfs met de wetenschap dat het niet echt is, blijft dat echt wel heel intens tho gosh like holyshit eerst al zo snel je volledige bondgenootschap verliezen en dan mistversies van je bondgenootschap moeten vermoorden great

    “Vergeef me dit. Alsjeblieft.” Dan haal ik diep adem en ren de mist in, terwijl ik zijn naam fluister - een harder geluid kan mijn instabiele stem niet aan. “Bo.”

    Dit is zo naar gosh want het is zo valid en begrijpelijk like Chris wil het gewoon zo zó graag maar dammit Chris je kan Day niet midden in gevecht met de mist alleen laten buddy hij rekent op jouw rugdekking OEF

    1 maand geleden
    • Samanthablaze

      Chris is vaak teleurgesteld. Het moet ook heel naar zijn om te zien hoe Day steeds minder oprecht gaat lachen, terwijl Chris juist zo aan die lach gehecht is
      Gelukkig maar want Chris is echt enorm aan hem gehecht. Hij had iemand als Day gewoon al heel lang heel hard nodig
      Oh zeker, dat zijn gewoon monsters en ze lijken ook niet menselijk, dus Chris ziet het alleen maar als draken die hij kan vellen, maar Day vindt dat al naar
      Ze konden het in de 75e Spelen maken met opnames van interviews, like ze konden dit maken met samples van zijn stem, dus hij hoeft niet eens echt geschreeuwd te hebben. Dat heeft hij waarschijnlijk wel, maar het hoeft niet
      Die arme jongen heeft dit ook echt niet verdiend, maar de Spelmakers hadden van alles op hem af kunnen sturen en het had toch wel dit effect gehad. Het is sowieso al heel naar voor hem
      Maar het is iets? Wie weet lukt het ze ooit nog een keer
      En Day was hij nog niet eens kwijt
      De positieve kant is dat hij snel doorheeft dat Chris weg is?

      1 maand geleden
  • ZainaSwift


    Ik werp nog een blik over mijn schouder. “Het spijt me,” fluister ik schor, ook al weet ik dat hij het niet hoort. Ook al heb ik de belofte niet gemaakt, ik wil hem alsnog niet breken. “Vergeef me dit. Alsjeblieft.” Dan haal ik diep adem en ren de mist in, terwijl ik zijn naam fluister - een harder geluid kan mijn instabiele stem niet aan. “Bo.”


    Als je weet dat hij het niet hoort, waarom zeg je het dan? Goed geschreven, Sam!:)

    1 maand geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen