“Bo.” Met bonzend hart ren ik door de mist, op de glimp van rood af. In mijn haast struikel ik half over de boomwortels en klapt mijn enkel een keer om, maar ik laat me er niet door afremmen. De pijn die ik zou moeten voelen, ontbreekt. Ik moet antwoorden hebben. Als Bo echt nog leeft, moet ik hem spreken. Maar de jongen is verder weg dan ik dacht, en het rennen door de mist voelt als zwemmen in stroop. Het gaat niet snel genoeg.

Ergens diep vanbinnen ben ik me bewust van de fouten die ik maak. Ik heb Day kwetsbaar achtergelaten, terwijl ik zou proberen voor één keer mijn bondgenoot niet in gevaar te brengen, maar hem te beschermen. Het is roekeloos: ik ben me niet bewust van waar ik mijn voeten neerzet, en nog minder van de andere tributen of schimmen in de mist om me heen, die ik niet meer kan zien, maar die er ongetwijfeld zijn. Het maakt me ook niet uit. Als Bo nog blijkt te leven, als ik mijn vriend terug krijg, is het het allemaal waard.

Maar ik word me pas écht bewust van de fout die ik gemaakt heb, als vanuit het niets een vuist mijn ribben raakt. De harde klap en de doffe pijn die volgt brengen me uit mijn balans, waardoor ik met een klap op de grond val. Voor ik overeind kan krabbelen en mijn stok kan heffen, word ik opnieuw vastgegrepen. Als ik opkijk, zie ik Sean, met zijn enorme, dreigende postuur en kille grijns. Zijn ogen hebben echter niet de kleur van de oceaan, die hij, net als veel van zijn districtsgenoten, hoort te hebben. Ze zijn dof en grijs. Hij is niet echt.

Uit alle macht probeer ik me uit zijn greep los te worstelen, maar de verschijning van de jongen blijft onbeweeglijk staan, met zijn hand als een ijzeren greep om mijn polsen geklemd en zijn arm stevig om me heen gedraaid. “Bo!” schreeuw ik, in een poging zijn aandacht te trekken, hem te laten weten dat ik in gevaar ben. We zouden elkaar helpen. Maar als ik zijn naam nog eens wil schreeuwen, blijft mijn stem samen met mijn ademhaling steken in mijn keel. Sean heeft een mes op mijn keel gelegd, en de boodschap is meer dan duidelijk.

Gefrustreerd staak ik mijn pogingen om me vrij te worstelen en bijt ik op mijn tong, terwijl ik probeer een ontsnappingsplan te verzinnen. Maar zoals dat meestal gaat bij mij, laat mijn chaotische, roekeloze brein me juist nu in de steek. Er schiet nog maar één gedachte doorheen, keer op keer: alsjeblieft, laat me leven.

Mijn vechtstok heb ik nog altijd in mijn hand, maar door Seans greep kan ik hem niet bewegen. Mijn mes trekken gaat hem al helemaal niet worden. Ik bijt op mijn lip. Als ik de dolk had aangenomen en aan mijn riem gehangen had, had ik in ieder geval ergens bij gekund, zij het met mijn zwakke hand. Hoewel alleen de gedachte aan het wapen me al misselijk maakt, zou dat me niets meer uitmaken als het mijn leven zou kunnen redden. Het verandert niets - het wapen is niet hier, en ik sta met lege handen in de houdgreep van een Beroeps. De prikkende pijn van het mes op mijn keel, maakt zelfs om mijn leven smeken onmogelijk. Ik ga hier dood.

Net als die gedachte door mijn hoofd schiet, zie ik de rode vlek in de mist bewegen, op ons af. Meteen springen tranen van opluchting in mijn ogen, en als ik dat zou kunnen, zou ik alle spanning en angst er hier en nu uithuilen. Bo heeft me gehoord. Mijn vriend leeft, en hij is hier. Hij komt me helpen, en zelfs als hem dat niet lukt, dan ga ik in ieder geval dood terwijl ik weet dat hij nog de kans maakt die hij verdient. Dan kan ik hem in ieder geval nog één keer zien.

Als de schim dichterbij komt, spat alles uit elkaar. De figuur die uit de mist opdoemt, heeft geen brede schouders, maar een slank, vrouwelijk postuur, en in plaats van de lege vuisten die ik hoor te zien, zie ik de contouren van een groot slagzwaard. Het is niet mijn vriend die tevoorschijn stapt. Met een vermaakte grijns op haar gezicht, stapt Aderyn uit de mist.

Nonchalant zwiept het meisje haar vlecht over haar schouder en leunt op haar zwaard, zoals ze tijdens de training deed. “Zo, Chrissie,” verzucht ze, “we wisten al wel dat je enorm hardleers bent, maar dit is wel heel zielig. Zelfs voor jou.” Haar grijze ogen staan ijskoud als altijd, en zijn net zo kleurloos als de vorige keer dat ik haar zag. Het lijkt zoveel op haar echte, doffe oogkleur, dat ik het verschil die eerste keer niet eens gemerkt heb. Maar de mist lijkt, in de meeste gevallen, in paren te werken - één van de twee zorgt ervoor dat je kwetsbaar bent, de ander maakt daar gebruik van in een poging je te vermoorden. Hoewel het me niet eens zou verbazen als de echte Aderyn met de mist zou samenwerken, is dat niet het geval. Seans verschijning is hier om me te verzwakken, maar hij is niet de grote dreiging hier. Dat is de tweede verschijning - zij.

Ik kan niet anders dan kwaad terugstaren, terwijl het mes op mijn keel ieder antwoord dat ik zou willen snauwen verhindert. De tranen die in mijn ogen branden, en die ik nog geen minuut geleden allemaal had willen laten stromen, probeer ik nu verwoed weg te knipperen. Dat genoegen gun ik het meisje niet, ook al is ze niet echt. Erg succesvol is mijn poging me groot te houden niet. Als mijn blik afdwaalt naar haar shirt, breek ik onmiddellijk.

Aderyns shirt is wit - tenminste, dat was het, toen de spelen begonnen. Inmiddels heeft het echter de bloedrode kleur die ik in al mijn nachtmerries zie. Doorweekt plakt het tegen haar huid, terwijl af en toe een druppel bloed op de grond drupt. Wat ik gezien heb, was niet Bo’s shirt. Het was een truc van de Spelmakers, om me in dezelfde val te laten lopen als die allereerste nacht hier. Mijn vriend is hier niet. Hij is weg.

Instinctief wil ik naar mijn borst tasten, waar ik het koude metaal van zijn aandenken kan voelen, maar zodra ik mijn hand een stukje ophef, drukt Sean zijn wapen onmiddellijk harder tegen me aan. Aderyn zucht geërgerd, voor ze haar zwaard wegsteekt en op me afstapt, tot ik haar ademhaling kan voelen - brandend koud als de mist zelf. “Je bent zelfs nog steeds niet klaar voor een écht zwaard, zie ik.” Met een spottende glimlach kijkt ze op me neer, en haar blik blijft op mijn wapen hangen. In één beweging trekt ze de stok uit mijn handen, en gooit hem aan de kant, ver buiten mijn bereik. “Jammer. Je maakt het me veel te makkelijk zo. Maar ik betwijfel of je het ooit geleerd zou hebben, en mijn geduld met jou en die bezemsteel van je is inmiddels wel op.” Ze stapt weer een klein stukje achteruit en gebaart iets naar Sean. Vrijwel onmiddellijk verdwijnt de druk van mijn hals, waardoor ik meteen naar adem hap. Als de jongen me niet nog altijd in een ijzeren greep hield, was ik zonder twijfel gevallen. “Kijk, dat praat wat makkelijker.” Aderyn glimlacht, maar de blik in haar ogen is nog altijd ijskoud.

“Wat wil je van me?” weet ik schor uit te brengen. Mijn vrije hand schiet meteen naar mijn hals, waar een paar bloeddruppels opwellen uit de kleine snee. De monsters in de mist zijn geprogrammeerd door de Spelmakers, wat betekent dat ze hier zijn om een show te maken van mijn dood. Als dit enkel zou gaan om mij doden, hadden ze dat allang gedaan. Een beetje harder drukken met dat mes was genoeg geweest.

“Het zijn de Hongerspelen, 11,” antwoordt ze. De zoete toon is op slag uit haar stem verdwenen. “En we zijn nog met de halve groep. De bedoeling is dat het aan het einde van de dag nog maar een kwart is.” Ze glimlacht giftig naar me. “Dus jij gaat je vriendje voor ons roepen.”

“Zodat je hem ook kan vermoorden?” Ik klem mijn kiezen op elkaar en bal mijn vuist. “Waarom zou ik dat doen?” Ik heb Day al enorm in gevaar gebracht door hem alleen te laten - omdat ik als een ezel gewoon nog een keer in dezelfde val gelopen ben. Ik mag hem niet hierheen halen. Ze mogen hem geen pijn doen.

Maar de gedachte om zijn naam te schreeuwen tot hij me hier vindt, krijg ik niet uit mijn gedachten geduwd. Hier kan ik in mijn eentje niet uitkomen. Zonder hem, ga ik hier dood.

“Omdat dat het enige lijkt te zijn waar je wél goed in bent.” Aderyns valse grijns wordt met ieder woord breder. “Je teamgenoten in gevaar brengen. Waren jullie niet met zijn vijven? Zes, als je je teamgenote niet meteen verdoemd had?”

Ik bijt op mijn lip en laat mijn hoofd hangen. Ik zou willen schreeuwen, het meisje willen aanvliegen, maar het kan niet en ik schiet er niets mee op. Haar woorden zijn waar, ook al hebben ze een toon die mijn haren recht overeind laten staan. Als ik betere keuzes gemaakt had, dan was ik hier nu niet alleen geweest. Het was Jade die me redde, die eerste keer. Nu, zonder haar, zonder iemand, heb ik geen uitweg. De enige die me misschien nog zou kunnen helpen, is Day. De kans dat we allebei dood zouden gaan, is echter heel veel groter. “Hou je kop,” probeer ik terug te snauwen, maar mijn stem laat me in de steek en verandert halverwege de zin in een hees gepiep.

Aderyn klakt afkeurend met haar tong. “Je wilde niet dood, toch?”

Ik schud kleintjes mijn hoofd. “Alsjeblieft,” snik ik zacht. “Laat me leven. Laat me gewoon gaan. Alsjeblieft.” Ik weet hoe zinloos het is. Zelfs als dit echt Aderyn geweest was, had ik niet op medelijden hoeven rekenen. Maar dit is een monster van de Spelmakers. Die kennen geen genade. Toch blijf ik zachtjes smeekbeden fluisteren, totdat Aderyn haar stem verheft.

“Roep hem dan.” Ze pakt mijn gezicht vast en dwingt me op te kijken. “Roep hem, en dan komen we erachter of jouw grote, loyale held je echt zou komen redden.”

Maar ik wend mijn blik af en bijt hard op mijn tong. Laat me in ieder geval mijn belofte aan mezelf houden. Ik mag hem niet zo in gevaar brengen. Ze mogen hem geen pijn doen. Dat kan ik niet op mijn geweten hebben. Niet ook dat nog - niet bij Day.

Aderyn zucht diep. “Ook goed, dan doen we het maar op de moeilijke manier.” Haar stem verraadt echter dat dit is waar ze op gehoopt had, en er verschijnt een kleine glimlach op haar gezicht. Dan reikt ze naar haar wapenriem en haalt een mes uit de schede.

Mijn adem stokt als ik besef wat ze van plan is, waarop ik onmiddellijk probeer me weer los te worstelen uit Seans greep. Maar trekken, schoppen en stompen met mijn vrije hand heeft allemaal geen zin. De jongen steekt behendig zijn armen onder mijn oksels door en klemt zijn armen stevig over mijn borst, terwijl hij me een stuk van de grond tilt en me naar achter trekt. Ook al is het zinloos, ik blijf spartelen, in de hoop dat de jongen ook maar een klein beetje meegeeft, of in ieder geval Aderyn niet de kans geeft om grip op me te krijgen. Het is niet genoeg.

Aderyns hand schiet naar voren, waarmee ze soepel mijn pols grijpt. “Dit is iets wat zelfs jij zou moeten kunnen.” Ze glimlacht zoet naar me, terwijl ze de blaar op de rug van mijn hand bekijkt, die haar zwaard een paar dagen eerder gemaakt heeft. Uitdagend tikt ze er een keertje met de punt van haar mes tegenaan, en als ik mijn kaken stevig op elkaar klem, laat ze de punt erop rusten. “Je hoeft alleen maar te schreeuwen. Bij voorkeur zijn naam - dan houden we het een beetje dramatisch.”

Ik werp haar een kwade blik toe, maar dan drukt ze haar mes in mijn huid en snijdt de wond opnieuw open. Terwijl haar mes over mijn arm omhoog glijdt, probeer ik ieder beetje wilskracht op te roepen dat ik geleerd heb van Jade, ieder beetje kracht van Bo, ieder beetje van Days kalmte, die ik zo graag zou willen beheersen, en ieder beetje moed dat ik in Luna heb gezien. Ik klem mijn kiezen stevig op elkaar.

Maar ik ben niet Jade, en ook niet Bo, of Day, of Luna. Ik ben gewoon Chris, die idioot die zo graag een held wilde zijn. Dus als de pijn door mijn arm schiet, schreeuw ik het uit.

Reacties (2)

  • Duendes

    Als Bo nog blijkt te leven, als ik mijn vriend terug krijg, is het het allemaal waard.

    Ohgosh maar stel dat Bo echt zou leven enzo zou hij dan nog teruggaan naar Day met Bo of ehh rip Danny

    Also gruwels Aderyns volledig met bloed doorweekte shirt is echt wel kinda ew wat een naar beeld maar ook wel ehh accurate OEF

    “Dus jij gaat je vriendje voor ons roepen.”

    De eerste keer dat iemand Day zijn vriendje noemde hapte Chris zo erg en ging hij meteen in de verdediging en nu reageert hij er amper meer op en AWH

    Ik schud kleintjes mijn hoofd. “Alsjeblieft,” snik ik zacht. “Laat me leven. Laat me gewoon gaan. Alsjeblieft.”

    Gosh Chris schatje het blijft zo sneu want hij doet zo zijn best zich groot te houden en een fake stoere reputatie hoog te houden maar hij is zo kwetsbaar en gosh

    “Je hoeft alleen maar te schreeuwen. Bij voorkeur zijn naam - dan houden we het een beetje dramatisch.”

    Zo erg in character Aderyn en BAH

    Maar ik ben niet Jade, en ook niet Bo, of Day, of Luna. Ik ben gewoon Chris, die idioot die zo graag een held wilde zijn.

    Noooo Chris je bent veel meer dan dat awh lieverd

    1 maand geleden
    • Samanthablaze

      Misschien wel, als hij zou geloven dat Day zich vergist heeft, en waarschijnlijk omdat Bo ernaar zou vragen. Maar als hij denkt dat Day gewoon gelogen heeft, is dat van de baan
      Jep, maar tbh hij heeft nu ook wel andere dingen om zich druk over te maken
      Er is niet zoveel van die reputatie over, zeker niet na dit
      Misschien maar het hielp niet genoeg

      1 maand geleden
  • ZainaSwift

    (Y)

    1 maand geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen