Als de inslag door de arena galmt, laat ik me instinctief op de grond vallen en duik ik in elkaar. Echte dekking biedt het gras niet, maar ik heb eerder de schade van een blikseminslag gezien. Het hout van de boom vliegt alle kanten op, vele malen sneller en dodelijker dan Aderyns zwaard of Samuels speer. De donder rolt over de vlakte en zelfs de grond lijkt erdoor te trillen, maar hoewel mijn lichaam steekt en mijn instinct me smeekt om me zo klein mogelijk te maken, duw ik mezelf moeizaam overeind. Ik kijk om naar de boom en vloek. Stof en rook walmen om de zwartgeblakerde restanten van hout, maar ondanks dat kan ik de vlammen zien. "Er is brand." Ik kijk snel om naar Day, die ook weer overeind krabbelt. De boom staat in brand, en eromheen bevindt zich niets dan kilometers van brandbaar gras.

"We moeten hier weg, en snel,” mompelt Day. “Dat wordt rennen." Hij werpt me een bezorgde blik toe. "Gaat dat lukken?" Hij wacht niet op een antwoord, maar kijkt over zijn schouder en begint dan te lopen. Dikke rook stijgt op van de boom, terwijl de vlammen om zich heen slaan.

"Natuurlijk." Ik keer de boom de rug toe en richt me op het gras voor me. Alles wat ik gedaan heb om te overleven, mag niet voor niets zijn. Ik klem mijn kiezen op elkaar en begin weer te rennen. In mijn ooghoeken zie ik de rode gloed zich steeds verder uitspreiden - het gras heeft vlam gevat, en het vuur slaat razendsnel om zich heen. Niet omkijken, smeek ik mezelf, niet omkijken en zien wat je kwijtraakt. Ik bijt op mijn lip. Ik hoef er niet voor om te kijken om te weten dat achter mij de boom, met onze hut en onze initialen in de stam gekerfd, in vlammen opgaat, samen met alle momenten die we daar nog hadden kunnen doorbrengen. De plek die, voor zover dat kan in de arena, mijn thuis geworden was, is verdwenen.

Maar Day en ik leven nog. Ondanks dat de Spelmakers en de Beroeps ons waarschijnlijk maar wat graag dood willen hebben, ondanks alles, leven we nog. Een kanon dat over de vlakte galmt, is genoeg om me daaraan te helpen herinneren. Steeds meer van de vlakte die we achterlaten vat vlam - de kans dat iemand anders die probeert aan het vuur te ontsnappen daarin faalt, wordt met de seconde groter. Ik wissel een blik met Day, negeer de pijn die vanuit mijn zij door mijn lichaam trekt, en blijf rennen. We blijven rennen.

Langzaam raak ik verder achterop. Ik heb sowieso al niet Day’s conditie, maar de misselijkmakende pijn zorgt ervoor dat iedere stap moeizamer gaat. Als mijn bondgenoot het opmerkt, rent hij niet door, in een poging eerst zichzelf in veiligheid te brengen, voor hij zich druk gaat maken om anderen. In plaats daarvan remt hij af, steekt hij zijn arm uit en ondersteunt hij me, zonder een woord te zeggen. Zijn blik is genoeg: we mogen hier niet doodgaan.

De regen, die in steeds meer en steeds grotere druppels uit de hemel valt, remt de vlammenzee niet af. Het zorgt er enkel voor dat mijn haren en kleren doorweekt worden, dat een veel van het bloed en vuil wordt weggespoeld en dat het meteen een stuk kouder wordt. Inmiddels is de hemel gitzwart, en weet ik niet meer zeker of dat door het onweer of door de rook komt.

Ineens begint de grond te trillen, waardoor ik onmiddellijk mijn balans verlies. Ik zak in elkaar op de grond en grijp naar Days hand, terwijl ik mijn ogen dichtknijp en probeer mijn ademhaling te beheersen. Naast me zakt ook Day door zijn knieën, maar een fractie van een seconde weet hij zichzelf weer overeind te slepen, en trekt ook mij weer overeind. "Daar," hijgt hij schor. Hij hoest en knikt dan naar een plek voor ons, waar de grond ineens schuin afloopt. "Daar lijkt een ingang."

Als ik zie dat hij gelijk heeft, voel ik in eerste instantie niets dan opluchting. In de tunnels is geen brandbaar gras, geen gevaar voor de rondvliegende houtsplinters of het onweer zelf. Maar zodra ik de rotsachtige opening van de gang zie opdoemen, minder ik vaart. Onder mijn voeten trilt de grond, en losse stukken steen breken af en verdwijnen in het duister. De hele wereld lijkt in te storten, en de gangen van het labyrint zijn geen uitzondering. Daar beneden wacht niets dan dood.

Ook Day vertraagt zijn pas, maar zijn blik is niet op de gang voor ons, maar op mij gericht. Zachtjes knijpt hij in mijn arm. "We hoeven er niet diep in," zegt hij zacht, "maar we moeten hier weg als we niet levend geroosterd willen worden."

Ik kijk de gang in, maar het lukt me niet om mijn voeten op te tillen en nog een stap te zetten. "Maar met die aardbevingen-" Ik deins een stukje achteruit. De warmte die van de vlammenzee achter ons uitstraalt, kruipt door mijn jas heen over mijn rug. Er is geen andere kant waar we heen kunnen - het vuur zou ons moeiteloos inhalen als we zouden proberen verder te rennen. Als ik naar Day kijk, zie ik door de tranen die in mijn ogen springen enkel nog vlekken. "Ze willen ons allemaal dood hebben, Daniel. Dit gaat niemand overleven."

Day wrijft peinzend over zijn gezicht, en werpt een nerveuze blik over zijn schouder. Alle kleur is uit zijn gezicht weggetrokken, waardoor alleen het gelige schijnsel van de vlammen er nog voor zorgt dat hij niet krijtwit lijkt. Maar ondanks dat de jongen trilt, blijft zijn blik vastberaden en zijn stem stabiel. "We blijven voor in de tunnels," zegt hij. "Bij nog meer aardbevingen kunnen we er snel uit." De jongen trekt me een klein stukje naar zich toe, waardoor ik niet anders kan dan hem recht aankijken. Vergeleken met de orkaan van emoties in zijn ogen, is de storm boven onze hoofden niet meer dan een zuchtje wind. Als hij verder praat, zachtjes maar resoluut, voelt ieder woord als een belofte. "Wij gaan dit overleven."

Toch schud ik mijn hoofd, en scheur mijn blik los van hem, naar de donkere tunnel. De nauwe, instabiele gangen die zich daar beneden uitstrekken, zouden ons opslokken. Ik wil niet de rest van mijn leven door die tunnels dwalen. "Ik wil daar niet doodgaan."

"We gaan daar niet dood, Chris." Day schudt zachtjes aan mijn schouder en kijkt me indringend aan. "We-" De jongen hoest en werpt een blik over zijn schouder, waarna hij geschrokken weg deinst voor de vlammen. Dikke, donkere rookwolken drijven steeds dichterbij. "We kunnen hier niet blijven." Weg is Days kalmte, als zijn stem gejaagd en schor wordt en hij paniekerig van mij naar de vlammen kijkt.

De hitte brandt op mijn huid, de rook in mijn longen, als het vuur om ons heen steeds hoger oplaait, steeds dichterbij. We gaan hier dood. We komen te dichtbij het vuur, vatten vlam en branden op. Er zal niets overblijven dan dwarrelende as en vervagende herinneringen. Als je nu niets doet, ga je dood. Voor een seconde staar in naar de vlammen, naar de opstijgende vonken, en voor even is het alleen maar mooi en wil ik enkel blijven staren, maar dan verandert de warmte in pijn. Ik grijp Days had stevig vast, knijp er in, en ren dan naar de ingang.

Als Day de gang in rent, laat ik zijn hand los en blijf ik als bevroren staan. Op de gloed van de vlammen achter ons na, is het in de tunnel aardedonker. Al het zonlicht is verdwenen, en ook al weet ik dat het al dagen niet echt was, ik voel mijn ademhaling versnellen. Als ik die tunnels in ga, kom ik misschien nooit meer naar buiten, in het licht en de frisse lucht en de ruimte die ik zo hard nodig heb. Als ik terug het labyrint in ga, zie ik de zon misschien nooit meer. Het lukt me niet om mijn voeten op te tillen, ook al voel ik de vlammen schroeien, slechts meters bij me vandaan.

Day leunt hoesten tegen de muur, maar draait zich dan razendsnel om naar mij. "Chris, schiet op." Hij kijkt me smekend aan, maar duwt zich dan van de muur af en strekt zijn hand naar me uit.

Ik bijt op mijn lip en krimp ineen, als ik de vlammen tegen de rug van mijn hand voel. De pijn trekt door mijn hele lichaam, en ik slaak een gekwelde kreet. En hoewel een deel van me wil blijven staan, de vlammen verwelkomen en voorgoed verdwijnen in warmte en licht, kan ik de wanhoop in Days stem en mijn eigen pijn niet negeren. Ik wil niet dood. Niet in de gangen, niet in het vuur. Alsjeblieft, laat me leven. Alsjeblieft, Chris. Ik knijp mijn ogen dicht en haal diep adem, en stap dan het donker in. "Ik wil hier niet doodgaan," fluister ik, tegen niemand in het bijzonder, terwijl de paniek bij iedere stap mijn keel verder dicht lijkt te drukken.

Days hand op mijn schouder herinnert me eraan dat ik rustig moet ademen, en hoewel het niet genoeg is om me echt te kalmeren, voorkomt het dat mijn knikkende knieën het begeven. Trillend laat ik me door mijn bondgenoot een stuk verder de grotten in leiden, bij de verzengende hitte vandaan. "Je gaat hier niet dood, Chris," antwoord Day zacht, sussend. Zijn stem beeft nog steeds, maar nu de vlammen ons niet meer kunnen raken, vervaagt zijn paniek. "We gaan allebei nu niet dood. We moeten alleen wachten tot het vuur weg is. Dan zoeken we een manier om weer buiten te komen, oké?"

Zijn woorden dringen nauwelijks tot me door. Trillend steek ik mijn hand uit om steun te zoeken bij de muur, maar ook die lijkt te beven. Alles trilt, alles draait. Overal om me heen is aarde en duisternis. Ik moet hier weg. Ik ga dood hier.

“Chris, blijf ademen.” Day bijt op zijn lip en knijpt bemoedigend in mijn hand. “We vinden een uitweg.”

Nog voordat hij zijn zin heeft afgemaakt, gaat er een nieuwe schokgolf door de arena. Met een ruk draai ik me om naar de ingang, naar de vlammen, en blijf als bevroren staan. Met een oorverdovend geknars verschijnen barsten in de stenen, terwijl gruis van het plafond omlaag dwarrelt. Voor me, in de opening van de grot, woedt het vuur. Van de vlakte die zich erachter bevond, van het gras en van de boom, is door de vlammen niets meer te zien. Er is niets, en toch blijf ik staren. De tunnel gaat instorten. Mijn blik schiet omhoog, naar een grote scheur die door het plafond, maar hoewel alles in me schreeuwt om aan de kant te gaan, weg te rennen, wat dan ook. Terwijl de uitgang om me heen begint in te storten, blijf ik verdoofd staan. Ik ga hier dood.

"Kijk uit!" Een harde duw tegen mijn schouder zorgt ervoor dat ik achteruit struikel en met een klap op de bevende grond beland. Ik slaak een gekwelde kreet als mijn rug de stenen raak en krimp zoveel mogelijk ineen. Trillend blijf ik op de grond liggen, terwijl ik smeekbeden prevel aan alles en iedereen die ooit iets van macht gehad heeft. Maar mijn gesmeek wordt overstemd door een doffe klap, zijn oorverdovende schreeuw, en dan, alsof de bliksem opnieuw inslaat, door de knal van een kanon.

Reacties (1)

  • ZainaSwift

    "maar we moeten hier weg als we niet levend geroosterd willen worden."
    Ja, volgens mij is dat belangrijker dan thuis, maar het is wel heel triest dat ze hun 'huis' zo gedag moeten zeggen(huil)Goed geschreven!(Y)

    1 week geleden
    • Samanthablaze

      Tja, naar huis gaan kan sowieso niet
      Bedankt!

      1 week geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen