. . .

De uit twee banden bestaande ring – zwart en gebutst zilver – was meer dan de aanloop naar een belofte van eeuwige trouw en onvoorwaardelijke liefde. Het was een belofte van een leven zonder bloedvergieten, zonder achterdocht – de belofte van een leven waar hij ongestoord mocht zijn wie hij was en van wie hij mocht houden van wie hij hield.
      Het was een constante herinnering aan de belofte dat dit leven – waar hij zich niet meer op zijn plaats voelde – tijdelijk was en uiteindelijk over zou gaan. Dat was ook de reden dat hij de ring gewoon naar de club droeg. Aanvankelijk had hij getwijfeld – hij had geen zin in de denigrerende opmerkingen van de anderen. Het was echt geen schaamte, maar waarom moest hij de pijn opzoeken? Nu voelde het echter als een steun, als de wetenschap dat hij niet alleen was. Steeds wanneer hij naar zijn hand keek, verscheen het beeld weer voor zijn ogen waarin Juice op één knie voor hem zat, doodnerveus frummelend aan het doosje. Dan joeg er weer een warme storm door zijn lijf die de vlinders wild met zich mee sleurde.
      En de opmerkingen waren meegevallen. Phantom had hem hartelijk op de schouder geslagen en ook Alvarez – die toch een beetje als zijn peetvader voelde – had het fatsoen kunnen opbrengen hem te feliciteren. De rest had niet veel gezegd en Raine vermoedde dat dat op bevel van hun clubpresident was.
      Raine probeerde er niet te veel bij stil te staan, maar het bleef toch een beetje pijnlijk. Vroeger was een verloving gegarandeerd een reden geweest voor een uitzinnig feest. Dan had hem ook een onvergetelijk vrijgezellenfeest te wachten gestaan. Nu moest hij maar blij zijn met het feit dat ze geen rotopmerkingen maakten. Het zij zo.
      Raine schudde de gedachte uit zijn hoofd en richtte zijn aandacht weer op de gebroken remleiding die hij moest fiksen. Al snel slokten zijn werkzaamheden zijn aandacht op.
      Het was Esai’s stem die hem na een tijdje uit zijn gedachten haalde. ‘Staat je telefoon uit?’
      De aanwezigheid van zijn voormalige beste vriend zorgde ervoor dat zijn schouders verstrakten. Ze hadden elkaar niet meer gesproken sinds het moment dat Esai door de mand was gevallen en hij had er ook geen behoefte aan. Het was de tijd uitzingen hier, daarna was hij niet van plan die eikel ooit nog op te zoeken.
      ‘Hoezo?’ vroeg Raine nukkig.
      ‘Sammy belde mij, en zo dol is ze tegenwoordig niet meer op me.’
      Er zat een beschuldigende ondertoon in zijn stem, eentje die Raine zijn kiezen op elkaar liet klemmen. Sammy en Esai waren soms íéts te close geweest naar zijn zin — hoewel hij altijd had gedacht dat Esai nooit wat zou proberen, iets waar hij sinds die hele drogeertoestand ook zijn vraagtekens bij zette — maar het was absoluut Esai’s eigen schuld dat Sammy kwaad op hem was.
      Raine ging rechtop staan, geïrriteerd omdat Esai niet meteen van wal stak. ‘Nou? Ze belde je vast niet om je te zeggen dat ze je zo verschrikkelijk miste.’
      Esai rolde met zijn ogen. ‘Ze belde over een of andere vent. Ik begreep er niet veel van. Ze was naar de kinderboerderij en toen kwam er een kerel in pak met Sasha praten en blijkbaar weet jij daar meer van.’
      Was het Timothy? Die man van de speeltuin?
      Daar hadden ze Sammy ook over verteld. Gealarmeerd trok hij zijn telefoon uit zijn broekzak. Die was leeg. ‘Shit. Geef me je telefoon.’
      ‘Oh, nu—’
      ‘Geef me je telefoon, Esai,’ snauwde hij.
      Esai zond hem een woedende blik omdat Raine hem afkapte, maar hij deed wel wat Raine vroeg. Meteen opende Raine de contacthistorie en drukte op Sammy’s naam.
      ‘Is hij er nog steeds?’ vroeg hij zodra ze had opgenomen.
      ‘Ja, maar op een afstandje.’ Haar stem klonk gespannen.
      ‘Blijf bij mensen in de buurt. Ik kom eraan.’
      Er ging een pijnscheut door zijn maag. Hij moest er niet aan denken dat ze zijn zusje en pleegdochter straks in een donker busje duwden.
      ‘Waar ben je?’
      Sammy gaf hem het adres en zonder de telefoon terug te geven, beende Raine op de uitgang af.
      ‘Hé, wat is er aan de hand?’
      Vanuit zijn ooghoek zag hij dat Esai naast hem kwam lopen. Hij negeerde hem.
      Esai greep hem bij zijn arm, duidelijk niet van plan om zich te laten afschepen. ‘Wat er ook is — ik laat je niet alleen gaan.’
      Een spottend lachje rolde over Raines lippen. ‘Oh, nu ben je ineens wel met me begaan?’
      ‘Dat was ik altíjd al, Raine. Anders had ik dat geintje met dat grietje toch nooit uitgehaald?’
      Een geintje, noemde hij het. Het kostte Raine al zijn zelfbeheersing om de man geen dreun voor zijn harses te geven. Zijn familie had nu echter voorrang. Esai zag maar wat-ie deed. Hij klom op zijn motor en reed weg.       Normaal gesproken zou hij het wel laten weten als hij wegging, maar inmiddels konden alle formaliteiten hem gestolen worden. Esai kon prima aan de anderen vertellen wat hij ging doen.
      Zodra het geronk van nog een motor opklonk, wist Raine dat Esai duidelijk andere plannen had. Dan gaat hij mee. Hij zoekt het maar uit.

Zo’n kwartier later kwam hij bij de kinderboerderij aan. Direct sprong hij van zijn motor en beende langs het welkomstbord. Esai volgde hem als een schaduw.
      Deze keer zou Raine niets meer aan het toeval overlaten. Niemand kwam aan zijn familie. Dat zou hij die kerel voor eens en voor altijd duidelijk maken.
      Al na een paar minuten had hij zijn zusje gevonden, die naast een wip stond, waar Sasha met een ander kind op aan het spelen was. Zijn blik schoot in het rond — een tel later had hij die smeerlap ook gevonden. Hij stond aan de zijkant, zijn handen diep in zijn jaszakken weggestopt. Zijn blik was op het kleine meisje gefixeerd. Raine werd misselijk van de gedachte dat hij Skye de vorige keer nog had aangemoedigd om met die gluiperd te gaan sjansen.
      ‘Dus, wie gaan we in elkaar rossen?’ Esai kwam naast hem staan.
      Raine dwong zichzelf zijn gebalde vuisten te ontspannen. Er waren nog een stuk of zeven andere kinderen, ze konden die Timothy hier niet aanvliegen. Vluchtig keek hij zijn voormalige vriend aan. Enerzijds walgde hij van deze opgedrongen samenwerking, en aan de andere kant was hij stiekem toch blij dat hij er niet in zijn eentje voorstond. Zo op het eerste gezicht kon hij die knakker best aan, maar het zou goed kunnen dat hij ook nog handlangers op standby had staan. De anderen volwassenen die hij hier zag waren moeders of vrouwen van middelbare leeftijd — oma’s waarschijnlijk — geen types waar hij veel van verwachtte. Maar hij zou dom zijn om ervan uit te gaan dat Timothy — als dat al zijn echte naam was — in zijn eentje opereerde.
      ‘Die vent die daar aan de zijkant staat.’
      Wat zou hij doen zodra hij hen zag? Wegrennen?
      En was dat dan een val?
      ‘Loop jij daarheen.’ Raine knikte naar het pad dat tussen struikgewas door naar een veld vol geiten voerde. Als hij dan het hazenpad koos, liep hij Esai tegen het lijf.
      Esai gaf een knikje en liep langs de rand van de speeltuin naar de aangewezen plaats.
      ‘Ome Raine!’ Opeens schalde een kinderstemmetje over het speelpleintje. Weg verrassing. Sasha klom van het speeltoestel af en wilde naar hem toe rennen, maar Sammy greep haar bij de arm.
      De indruk wekkend dat hij Timothy nog niet had gezien, spreidde hij zijn armen en liep naar zijn nichtje toe. Hij gaf haar een knuffel en weerstond de verleiding om met zijn blik naar Timothy te zoeken.
      ‘Staat hij er nog steeds?’ vroeg hij zacht aan Sammy, die een stapje opzij had gezet en nu beter zicht had dan hij.
      ‘Ja.’
      Raine gaf een knikje en liet de kleine Sasha los. ‘Ga jij maar lekker een ijsje kopen met tante Sammy.’
      ‘Ja!’ Verrukt klapte het meisje in haar handen. ‘IJssie kopen!’
      Hij wisselde nog één blik met zijn zusje, daarna legde hij zijn hand op zijn pistool die achter zijn broekband zat en liep naar Timothy toe, die zo’n zes passen bij hen vandaan stond.
      Hij leek niet te schrikken van Raine — en hij liep ook niet weg. Raine greep hem bij zijn bovenarm.
      ‘Wij gaan eens een stukje wandelen.’
      Hij trok het pistool en drukte hem tegen Timothy’s zij, waarbij zijn lichaam en jack het wapen voor het zicht van de kinderen afschermde.
      Nu werd de man wel bleek - zijn ogen sperden zich van schrik.
      ‘Lopen,’ gromde Raine.
      ‘Dit is—’
      ‘Lópen.’ Hij duwde het pistool dichter tegen de man aan, die haastig knikte en onhandig met hem meeliep.
      De man leek verward, geschokt misschien zelfs. Raine probeerde zich niet van de wijs te laten brengen, maar hij had het gevoel dat er iets niet klopte. Tenzij het gedrag toneelspel was, vond hij het niet passen bij iemand die lid was van een organisatie die twee motorclubs had uitgedaagd.
      Ze gingen de bocht om en liepen langs het hek. Geitjes wandelden blatend met hen mee.
      Esai ging aan de andere kant van Timothy lopen. Normaal gesproken had zijn vriend wel tartende opmerkingen gemaakt, maar nu keek hij Raine alleen peilend aan, alsof hij niet wist wat Raine van hem verwachtte.
      Raine wist het ook niet.
      Hij duwde de man maar gewoon verder, tot ze een schuurtje passeerde dat vastzat aan een grote kippenren. Er stonden wat schoffels tegen de houten wand. Hij stapte langs een paar grote emmers en trok Timothy met zich mee. Uit zicht van de bezoekers, duwde hij de man tegen de wand aan.
      ‘Dit is de eerste en laatste waarschuwing, als ik je nog een keer in de buurt van die kleine meid zie, schiet ik je overhoop.’
      De man trilde van top tot teen, zijn adamsappel schoot op en neer toen hij slikte.
      ‘Wie ben je?’ drong Esai aan. ‘Wat moet je van Sasha? Ben je een gore pedo?’
      ‘Nee!’ klonk het verhit. ‘Ik - ik ben haar vader!’
      Raine liet abrupt het pistool zakken. Plotseling was het alsof zijn adem werd afgesneden. ‘W-wat?’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen