“Wil je je kamer zien?” probeerde Thomas opgewekt te doen. Wat moest hij anders? Ik knikte duf, mijn ogen nog steeds naar de grond gericht. Ik durfde het niet. Ik durfde hem gewoon niet aan te kijken. Ik wist hoeveel hij altijd al op mijn broer had geleken. Het deed pijn om hem te zien. Het deed pijn om iemand te zien die er eigenlijk niet was. Met mijn verstand op nul volgde ik hem de trap op naar mijn nieuwe kamer.
“Ik hoop dat je het leuk vind,” glimlachte Lisanne lief. Ik hoorde het altijd of mensen glimlachten of niet, of mensen het meenden of niet. Ik doorzag maskers meteen, maar verborg me wel altijd achter de mijne. Het was misschien niet altijd even goed, maar ik kon gewoon niet anders. Ik heb nooit in het rijtje gepast, al accepteerden een aantal mensen me wel precies zoals ik was. Ik keek op en liet mijn ogen door de kamer glijden. De muren waren paars met grijs, net als de meubels. Precies zoals ik het leuk vond en helemaal anders dan mijn oude kamer, die blauw met groen was. Ik liep rustig even door de kamer en ging toen op het tweepersoonsbed zitten. Pas toen merkte ik de twee andere mensen in de ruimte weer op die me afwachtend aankeken.
“De kamer is leuk, bedankt.” Ik probeerde er een glimlachje bij te tonen, maar dat lukte niet echt. Zij daarentegen glimlachten wel normaal.
“We laten je even alleen, dan kun je uitpakken en wennen.” Ik knikte en ze liepen de kamer uit, de deur netjes achter ze gesloten. Ik bleef stil zitten, starend naar de muur. Ik voelde me leeg. Geen enkele gedachte ging door me heen. Ik wilde niet meer denken. Met mijn hand ging ik door mijn haar. Een paar dagen had ik dit kapsel pas. Ik wilde mijn oude kapsel niet meer. Ik wilde niet meer lijken op de mensen die ik was verloren. Vandaar ook een lip- en wenkbrauwpiercing. Ieder klein detail om mijn uiterlijk te veranderen, nam ik aan. Kleurlenzen hielpen ook mee, al droeg ik die niet altijd. Mijn ogen konden er niet goed tegen, maar ik probeerde het toch altijd. Misschien was ik ook wel een beetje bang voor de waarheid.
Buiten begon het al te schemeren toen ik eindelijk was begonnen met uitpakken. Mijn kleren netjes in de kast, boeken op de plank en de rest door de kamer verspreid. Ik wilde geen orde, nooit meer. Ik wilde alles door elkaar, geen enkel leeg plekje. Ik pakte een fotolijstje uit een doos en bleef er als versteend naar kijken. Het beeld deed me zoveel pijn. Geklop op de deur haalde me uit mijn gedachten. Ik zette vlug het lijstje weg en ging op het bed liggen.
“Binnen,” mompelde ik en bladerde door een boek. De deur ging open en Lisanne’s gezicht verscheen.
“Heb je zin om te eten?” vroeg ze met een vriendelijke glimlach op haar gezicht. Ik twijfelde. Eigenlijk had ik er helemaal geen zin in, al was het al bijna negen uur. In mijn familie aten ze altijd laat. Ik schudde mijn hoofd. Ze fronste. Ze was bezorgd, overbezorgd.
“Ik hoef echt niet, ik denk dat ik zo naar bed ga,” bracht ik er moeizaam uit. Ze knikte en sloot de deur. Een zucht ontsnapte uit mijn mond. Ik had gewoon geen zin om ze onder ogen te komen. Om weer al die blikken te voelen branden. Alsof ik het nog niet zwaar genoeg had zonder dat mensen me bleven herinneren aan die nacht. Die rampzalige nacht die me maar blijft volgen.

.

Reacties (1)

  • poisonthorn

    ):
    Ze is een beetje zielig...

    Ben benieuwd wat je er van gaat maken, dear!


    POK MOO IJS!
    X.

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen