Met een zucht berg ik mijn telefoon op in mijn zak. Een aangename kriebel in mijn buik zorgt ervoor dat ik zenuwachtig op mijn benen tik. Het is maar goed dat de coupé nogal leeg is, anders hadden mensen er echt wel wat van gezegd. Ik leun met mijn hoofd tegen het koude glas en staar naar het voorbijschietende landschap. Buiten is het al bijna helemaal donker. Urenlang zit ik al in de trein, maar nu ben ik er bijna. Ik ben bijna bij de plek waar alles begon: Amsterdam.
Na een kwartier mindert de trein vaart. Een krakende stem meld dat we bijna bij het station zijn aangekomen. Ik zet mijn nagels in mijn handpalmen. Ik ben ontzettend nerveus. Ook vraag ik me af waarom ik hierheen ben gekomen. Ik moet het verleden laten rusten, maar ik kan ook niet in het heden leven. Ik heb nu gewoon even behoefte aan rondhangen met de jongens, geen gezeur en geen problemen – behalve met de politie of met mensen die ik niet ken, dan is het wel leuk. De trein stopt. Meteen komt iedereen overeind. Ik wring me tussen de menigte door naar de deuren die sissend opengaan. Als eerste spring ik de trein uit terwijl iedereen me verontwaardigd aankijkt. Ze moeten niet zeuren, ik heb ze helemaal niks aangedaan. Ik trek mijn capuchon van mijn hoofd en kijk om me heen, op zoek naar een bekend gezicht.
“ANOUK!” roept iemand. Ik draai me om naar de juiste richting als iemand me bespringt.
“MARK!” gil ik vrolijk terug en sla mijn armen om de gespierde jongen. Ik gluur over zijn schouder en zie daar Rob, Stefan en Thomas staan die me lachend aankijken. Ik laat Mark los en sla mijn armen om het volgende slachtoffer.
“Wat is er eigenlijk allemaal gebeurd dat je hier bent?” vraagt Thomas als ik iedereen heb begroet. Ik zucht en bijt even op mijn lip. Rustig begin ik zo goed als het kan alles te vertellen wat er is gebeurd. Deze jongens stonden altijd voor me klaar en zijn nog steeds mijn beste vrienden. Zij hebben het recht om te weten wat er allemaal is gebeurd.
“Heftig,” zegt Rob met grote ogen als ik ben uitgesproken. Ik sla mijn ogen neer en zucht. Thomas slaat zijn arm om mijn middel terwijl we rustig doorlopen.
“Het komt wel goed, schatje.” Ik schiet in de lach en prik hem in zijn borst.
“Waar is mijn Roosvicée?” reageer ik met een pruillip. Hij trekt een spijtig gezicht. “Je gaat me nu toch niet zeggen dat je zegt dat het allemaal wel goed komt, maar dat je me niet eens mijn drankje kunt geven?!”
“Dan kopen we je toch even wat Roosvicée?” bemoeit Stefan zich ermee. Hij is meestal ook degene die me tegenhoud voordat ik een scene schop, waar ik erg goed in ben.
“Zijn er nog winkels open dan?”
“Nee.” Ik kijk hem veelbetekenend aan. Hij slaat kinderachtig zijn armen over elkaar. Ik ga midden op de straat op de grond zitten. Mark schiet meteen keihard in de lach. We lopen nog steeds midden in het centrum en het is nog steeds belachelijk druk. Mensen kijken me raar aan.
“Ik EIS mijn Roosvicée.” Een auto komt aanrijden, maar kan niet verder omdat ik in de weg zit. De man achter het stuur begint chagrijnig te toeteren, maar ik verplaats me niet. Eerst wil ik mijn Roosvicée.
“Hé! Ga eens aan de kant!” roept de man chagrijnig. Ik negeer hem en steek mijn neus in de lucht. Ik heb echt zin om problemen te maken nu ik weer terug ben. Thomas en Stefan kijken elkaar even aan en lopen dan weg, waarschijnlijk om op zoek te gaan naar mijn Roosvicée. Rob en Mark komen gezellig bij me zitten. Mensen blijven staan en kijken hoe we hier gewoon zitten. Best wel levenloos van ze. De automobilist toetert weer. Rob draait zich om en steekt met een glimlach op zijn gezicht zijn middelvinger op. Mijn telefoon gaat, alweer. Ik haal hem zuchtend uit mijn zak en zet hem dan uit. Ik heb geen zin in dat gezeur.
“Dus, bij wie slaap ik vannacht?”
“Waarschijnlijk bij onze lieve Rob,” grinnikt Mark en blijft naar Rob, die een het bekvechten is met de automobilist. Ik lach, sukkeltje dat hij eigenlijk is.
“WE HEBBEN HET!” roept Stefan en komt samen met Thomas op ons afgelopen. Thomas geeft me het glas drinken aan.
“Het komt wel goed, schatje.” We schieten in de lach. De automobilist heeft er genoeg van en trekt me aan mijn arm omhoog in een poging om me van de straat af te krijgen.
“Laat me los, klootzak!” gil ik en giet mijn Roosvicée over hem heen. Mark pakt mijn arm vast.
“Tijd om te rennen!” Ik knik instemmend en vlug maken we ons uit de voeten.

Reacties?(A)

Reacties (37)

  • LuxuryRebel

    hehe(lol)

    super deel

    snel verder gaan jij

    Xx.

    1 decennium geleden
  • Cake

    verder:D

    xx

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen