Mijn capuchon had ik ver over mijn hoofd getrokken waardoor die mijn koptelefoon waar luid metal uitschalde bedekte. Ik had geen zin meer om thuis rond te hangen, dus ben ik gewoon het huis uitgelopen, op zoek naar afleiding. Ik heb het natuurlijk wel aan Thomas duidelijk gemaakt, anders zou hij echt gaan flippen. Mijn schoenen verloren nauwelijks het contact met de vuile winkelstraat terwijl ik nieuwsgierig om me heen keer. Berlijn was heel wat anders dan wat ik gewend was, maar ik vond het heerlijk. Ik kon hier gewoon lopen en niemand die wist wie ik was, niemand die me lastigviel en niemand die me raar aankeek om mijn uiterlijk en gedrag. Ik voelde me vrij.
Dat euforische gevoel verdween jammer genoeg al gauw toen ik in de verte een bekende zag. Hij zat samen met zijn vrienden op de trappen voor een gigantisch gebouw. Ik beet op mijn lip en draaide me om, maar het was al te laat. De jongen slaakte een kreetje en holde op me af. Ik keek naar de punten van mijn sneakers. Mijn IPod viel uit. Natuurlijk.
“Gaat het een beetje?” Ik haalde mijn schouders op, totaal niet van plan om te antwoorden. “Wat was er nou aan de hand? Zeker een nachtmerrie. Ik heb ook wel eens dat ik dan doodsbang ben, zelfs al ben ik wakker, maar ik bekogel mensen dan niet met spullen.” Stiekem gluurde ik tussen mijn wimpers naar zijn voorhoofd, waar een lelijke, blauwe buil zat.
“Dan moet je mensen niet lastigvallen,” zei ik simpel en draaide me van hem weg. Ik had geen zin om met hem te praten, nooit gehad ook.
“Dan moeten mensen maar antwoorden.” Ik rolde met mijn ogen. Wat was hij toch een klein kind.
“Blijf gewoon bij me uit de buurt,” snauwde ik en liep weg.
“Wacht nou.” Meteen voelde ik een hand mijn arm omklemmen. Ik verstijfde en sperde mijn ogen wijd open. Ik draaide me met een ruk om en gaf de jongen een harde duw. Met een klap belandde hij op de grond. Ik hoorde zijn vrienden geschrokken kreten slaken en lachen. De tranen sprongen in mijn ogen en ik rende ervandoor. Ik rende weg, alweer. Ik rende zo hard als ik kon weg, niet wetend waar ik heen moest. Minutenlang bleef ik op hoog tempo doorrennen, totdat ik niet meer kon. Ik kwam aan bij een bushalte waar net een bus aan kwam rijden. Ik dacht niet verder na en stapte in. Nadat ik had betaald ging ik achterin bij het raam zitten. Hier viel ik tenminste niet zo op. Ik veegde mijn uitgelopen make-up een beetje weg en trok mijn capuchon weer verder over mijn hoofd.
Na een kleine twintig minuten stopte de bus in de buurt van een bos. Ik stond meteen op en liep de bus uit. Rust, dat kon ik nu wel gebruiken. Ik keek even om me heen en sloeg toen een bospaadje in. Het was zo lekker hier. Even mijn hoofd helemaal leeg maken, geen zorgen meer, al was het maar voor een paar uur. Met een kleine, haast minuscule, glimlach op mijn gezicht liep ik verder. Ik haalde diep adem. De frisse boslucht deed me goed.

.

Reacties (1)

  • poisonthorn

    Prachtig.
    (ben inspiloos voor een reactie, ik denk dat de kapster al mijn hersencellen heeft verbrandt met de föhn..)

    POK MOO IJS
    X.

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen