Foto bij 1. Naar Egypte

1.
Naar Egypte reizen is vermoeiend... en het is nog vermoeiender als je nog niet weet wat je te wachten staat.

'Nou, Abubakar, wat doen we met haar?'
Een lange, stevige, gebruinde man met een kaal hoofd en één rare zwarte pluk haar hield mijn dunne pols stevig vast. Ik probeerde me los te rukken, maar het was onmogelijk. Ik wist waar mijn familie was. Veilig. Op het kamp. En ik was hier, overgeleverd aan een stelletje Egyptenaren. Voor de veiligheid van mijn stam. Ze hadden me min of meer vastgebonden met een touw, zodat bewegen moeilijk ging. Met veel verdriet in zijn ogen had mijn vader me moeten afstaan aan deze Abubakar, en die andere mannen waarvan ik hun naam niet wist.
Maar het moest wel. Als ik niet met hen meeging,zouden ze al onze spullen meenemen en ons misschien wel vermoorden... en we hadden al zo weinig.
Ik had niet eens tijd gehad om afscheid te nemen van mijn lieve vader en familie. Een moeder had ik niet meer, allang niet.
'Hmm.' De man die Abubakar heette wreef over zijn kin. 'Ze is mooi. We kunnen haar meenemen, dan kan ze in het harem van prins Abasi.'
De man die mijn pols vasthield knikte goedkeurend. Ik klemde mijn tanden op elkaar. Harem? Dat wilde ik helemaal niet! Paniek bekroop me. Ik, als concubine, voor zo`n ouwe vent? Alsjeblieft niet...
Dat ik mooi was, was me al vaak genoeg verteld. Ik had een dikke bos gitzwart haar en grote bruine ogen, omlijst door dikke wimpers. Ik was slank, lenig en handig met alles, en daar was ik altijd trots op geweest. Ik kon goed dansen en zingen. Maar dat ik zo zou eindigen... als een stomme maîtresse! Dat had ik nooit kunnen denken.
'Dat wil ik niet,' smeekte ik paniekerig aan de man die me vasthield. Die gaf alleen een ruk aan mijn pols. 'Niet zeuren, jij, op de kar!'
Er kwam een vreemd jammerend geluidje uit mijn keel.
De man duwde me tegen mijn achterste (expres, vermoedde ik) op de houten kar waar we naast stonden. Er lagen wat hopen stro op, kruiken van aardwerk, juten zakken vol aardappelen en paddenstoelen. Allemaal geroofde of verhandelde dingen die mee moesten naar Caïro, dacht ik.
Verslagen ging ik op een hooibaal zitten. Zelf gingen de mannen in één van de karren met een dakje, die vastzaten aan de kar waar ik op zat. Alles werd getrokken door vier bruine paarden.
Ik verborg mijn gezicht in mijn handen. Waarom... was dit allemaal maar een stomme nachtmerrie.


'Hé, jij!' Het was nacht. De hemel was bezaaid met sterren en de maan was vol. We hadden nu al een hele week gereden en een stuk op een grote boot gevaren, en ik was doodmoe en stijf van het zitten. Ik vermoedde dat we al in Egypte waren, ondanks dat niemand me inlichtte over de reis. Maar het was hier warm, en er waren veel palmbomen. De mensen waren gebruinder dan thuis en ik ontdekte veel grote beelden van goden die ik nog nooit gezien had.
'Hallo?'
Het duurde even voor ik doorhad dat de Egyptische stem het tegen mij had en ik draaide mijn hoofd om, waarbij mijn grote, gouden oorbellen rinkelden. Uit de deur van de kar achter me, waar de Egyptische mannen in zaten, hing één van de mannen naar buiten en keek me aan.
Hij wenkte me. 'Kom lekker bij ons zitten!'
Duidelijk teveel gedronken. Ik zou voor geen goud bij hen komen zitten, en ik schudde dan ook koppig mijn hoofd. Daarna sloeg ik mijn armen over elkaar en draaide me om. Hoe de man me ook bleef roepen, ik deed alsof ik niks hoorde. Ik hoorde de mannen achter me lachen en ze fluisterden onder elkaar, wat me niets beviel.
Plotseling hoorde ik geluid. Iemand stapte uit de kar, op mijn kar, en kwam naar me toe.
Het was één van de mannen. Hij was groot, gespierd, ik vermoedde in de dertig en flink getint. Hij droeg gouden armbanden om zijn polsen. Met zijn grote hand greep hij mijn arm vast en sleurde me omhoog. Ik gilde. 'Laat me los, engerd!,' riep ik brutaal uit.
De man lachte alleen maar, en mijn vermoeden moest kloppen: teveel gedronken.
Hij pakte me stevig vast en trok me ruw mee naar de kar waar zijn vrienden zaten. Hij duwde me naar binnen. Het was maar een kleine ruimte. De Egyptenaren zaten op comfortabele, zachte kussens, met genoeg eten. Ik was boos toen ik dat zag: ik had de hele reis op mijn strobaaltje moeten zitten. Één van de andere mannen stond op en pakte me bij mijn middel. Hij lachte luid.
'Hé, mannen, we hebben een vrouw in de kar!' Er kwam een soort mislukte hik uit zijn keel.
Ik probeerde mezelf wanhopig los te wringen uit zijn stevige greep, maar het was onmogelijk. Hij was duizend malen sterker dan ik. 'Laat me los!,' schreeuwde ik wanhopig. Net toen de man van plan was het lijfje van mijn jurk open te knopen, vloog de kleine duur van de kar open. Ik had nu pas door dat de kar gestopt was met rijden. Onmiddellijk liet de man me los. Degene die de deur had geopend, had een speer in zijn linkerhand en een soort witte rok aan.
Een wachter, dacht ik.
'Wat heeft dit allemaal te betekenen?,' bromde de man. Niemand antwoordde. Totdat Abubakar aarzelend zei: 'We hebben haar als concubine meegenomen voor prins Abasi.'
De wachter nam me van top tot teen in zich op, leunde naar binnen en trok me vrij hardhandig naar buiten. Daarna zei hij tegen de mannen in de kar: 'Ga de kar opruimen en ga naar huis. Morgen verwacht de farao jullie.'
Daarna sloeg hij het deurtje dicht. Ik slikte en keek waar ik beland was. Omdat het donker was, kon ik het niet goed zien, maar ik zag voor me een enorm wit paleis, met grote zuilen en een paar enorme beelden van goden die ik eerder had gezien in dit land. Met grote ogen keek ik naar het gebouw. Dit moest het paleis van de farao zijn.
De man greep mijn pols vast en trok me mee, zonder een woord te zeggen. Ik was te moe om tegen te stribbelen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen