OPDRACHT 3.
Voor deze opdracht wil ik dat je iets schrijft over iets dat iemand kwijtraakt. Of het nu om een persoon of een voorwerp gaat, mag je zelf kiezen. De bedoeling is dat je je vooral concentreert op de gevoelens van het hoofdpersonage die hetgeen kwijtraakt wat dierbaar voor hem is. Ik wil ook dat er een open einde aan zit, dus dat ik met zoveel mogelijk vragen zit op het einde van je SA.

Aantal woorden: minimaal 800
Deadline: 15 april 2012

Je hebt een kwartier,’ zegt de stem, krakend door de slechte verbinding. Dan vult een pieptoon mijn oor. Vijf seconden lang blijf ik beduusd staan, dan raap ik mezelf weer bij elkaar en zink ik neer op een oude, houten keukenstoel. Ik zet mijn koude vingertoppen tegen mijn slapen en masseer deze terwijl ik een plan probeer te bedenken. Ik kom niet verder dan er gewoon heen gaan, zonder enige bescherming, met niemand dan mijzelf. Zodra ik heb besloten gewoon maar te gaan gris ik de sleutels van mijn motor en de envelop van het aanrecht. Ik ren naar buiten, naar mijn motor, me niets aantrekkend van de snijdende wind. Bij het vaartuig aangekomen duw ik de sleutel in het contact en ik race weg.
Een minuut of vijf later kom ik aan bij de hoge duinen. Ik stap van mijn motor en zet deze tegen een schuurtje aan. De kille zeewind dringt door mijn kleding heen en bijt in mijn gezicht. Mijn rode krullen wapperen wild om mijn hoofd heen, maar ik doe geen poging ze terug in model te krijgen. Met krachtige stappen ren ik de trap tegen de duin op, me tegen de steeds hardere wind in worstelend. Ik raak snel vermoeid en als ik bovenop de duin aangekomen ben lijkt mijn borst in tweeën te scheuren bij iedere ademteug. Ik zet een hand in mijn stekende zij terwijl ik over het donkere zandstrand en de woeste golven tuur. Niemand. Snel werp ik een blik op mijn horloge, nog zeven minuten. Ik grijp de envelop iets steviger beet en begin voorzichtig naar beneden te lopen, me afvragend waar ze zouden kunnen zijn. Terwijl ik stapje voor stapje de duin afdaal ga ik in mijn hoofd alle bekende plaatsen na. Het paviljoen, natuurlijk! Opgetogen versnel ik mijn pas en al gauw sta ik onder de duin. Dan ren ik zo snel als het mulle zand me toe laat naar rechts, ik moet recht tegen de wind in lopen en ben al snel helemaal buiten adem. Maar ik geef niet op, ik dwing mezelf door te zetten en sneller te lopen. Het strandpaviljoen komt al in zicht, ik klem de envelop stevig in mijn hand. Als dat ding nu weg zou waaien is er helemaal geen hoop meer. Als ik bij het gebouw aangekomen ben zet ik aarzelend mijn voet op de houten veranda, ik twijfel, voor het eerst sinds ik weg ben gegaan vraag ik me af of dit wel zo’n goed idee is. Ik weet niet wat me daar te wachten staat, ik weet niet eens of hij er wel echt is. Ik verman mezelf, probeer de twijfel te onderdrukken. ‘En stel dat hij er wel is, dan kan je hem redden. Je bent er nu toch, dan kan je net zo goed even gaan kijken,’ zegt een zacht stemmetje achter in mijn hoofd. Ik knik tegen mezelf, ik kan inderdaad net zo goed even gaan kijken, ik ben er nu toch. Ik ben hier niet helemaal heen gekomen om nu weer weg te gaan. Ik stap de veranda op en loop dan naar de deur van het paviljoen, als ze er zijn zullen ze wel binnen zitten. Voorzichtig stap ik over de drempel, mijn hand ligt op de oude deurpost. Ik hoor het pand kraken in de straffe wind en ik hoop dat het niet in zal storten. De vertrouwde geur van rottend hout en verlatenheid dringt mijn neus binnen. Ik stap nu helemaal naar binnen, de plank onder mijn voet kraakt. Gelijk voel ik een warme, harde hand om mijn keel sluiten.
‘Geef me de envelop,’ zegt dezelfde stem als aan de telefoon.
‘Waar is Casper?’ is mijn wedervraag.
‘Achter de bar, maar voor ik hem los maak wil ik die envelop.’ De druk op mijn keel wordt groter, ik probeer niet in paniek te raken en reik hem zo kalm mogelijk de envelop aan. Snel word het gevalletje uit mijn hand gegrist. Ik glimlach, dat zo’n vodje papier deze hele oorlog zou kunnen bepalen. De hand verdwijnt van mijn keel.
‘Dankjewel,’ klinkt de stem weer, dan hoor ik zijn zachte voetstappen. Hij loopt naar de achterkant van het paviljoen. Een kreun weerklinkt als hij Casper overeind sjort. Mijn ogen zijn langzamerhand aan het donker gaan wennen en ik kan de contouren van zijn lichaam onderscheiden.
‘Casper,’ zijn naam is niet meer dan een fluistering op mijn lippen, maar hij hoort het toch.
‘Cynthia, je bent er!’ Ik knik, maar dan besef ik dat hij dat in het donker waarschijnlijk niet kan zien.
‘Ja,’ zeg ik dan, ‘ik ben er.’
‘Wat een ontzettend emotionele hereniging,’ grinnikt de ruwe stem van de man. Casper lijkt te schrikken, zijn silhouet neemt een verkrampte houding aan.
‘Cyn, vertrouw hem niet hij heeft een…’ Een harde knal schelt door de ruimte. Pistool, vul ik Caspers laatste zin aan. Verdwaast blijf ik staan, ik kan het niet bevatten, is Casper… dood?
‘Veel plezier met die jongen en nog bedankt voor de informatie,’ fluistert de stem, zijn ranzige adem strijkt langs mijn wang en wekt me weer enigszins tot leven.
‘Casper, Casper!’ Ik ren naar hem toe, ‘Oh Cas niet dood zijn, wees alsjeblieft niet dood.’ Maar hij is dood, zijn adem klinkt niet meer, zijn borst beweegt niet meer en de linkerkant van zijn blauwe jas is doorweekt met bloed. Voorzichtig trek ik de jas uit, ik neem de moeite niet het lichaam mee te nemen of te verbergen. Beide kampen komen er vroeg of laat toch wel achter dat hij niet meer leeft. Ik werp nog een laatste blik op het dode lichaam van de jongen die zoveel voor me betekend heeft. Langzaam strompel ik naar buiten, gelijk worden mijn haar en de jas gegrepen door de wind. Maar ik trek me er niets van aan. Stevig klem ik de jack tegen me aan en heel langzaam loop ik de pier op. Aan het einde ga ik zitten, mijn benen bungelend boven het woeste water. Ik duw mijn gezicht in de jas, zijn lichaamswarmte zit er nog in en de geur van zijn aanwezigheid lijkt er als een vreselijke herinnering aan vast te kleven. Ik houd het tegen me aangeklemd als mijn laatste reddingsboei in deze woeste oceaan vol moord en vernietiging. Langzaam dringt het besef door dat hij nooit meer terug komt en er beginnen tranen te stromen. Tranen, om het verlies, het verlies van de enige broer die ik ooit gehad heb, de enige broer die ik ooit zal hebben. Zijn blonde krullen zullen nooit meer vrolijk rond zijn hoofd springen, zijn diepe blauwe ogen zullen nooit meer glinsteren als hij me ziet, zijn warme armen… Ik schud mijn hoofd en probeer de gedachtes te verdrijven, dan slik ik nog een keer om de brok die in mijn keel is ontstaan weg te laten gaan, het werkt niet. Nu is iedereen dood, het is wel beter zo, geen chantage meer en geen angst om iemand anders dan mijzelf, om mijzelf ook niet trouwens. Ik kon nu net zo goed dood zijn, niemand zou me missen. Voorzichtig laat ik mijn blik naar beneden glijden, zal ik? ‘Nee,’ spreek ik mezelf streng toe, ‘ik spring niet. Ik kan de wereld nog steeds helpen.’ Ja, ik zal de wereld helpen, helpen naar zijn ondergang. Een krankzinnige glimlach siert mijn lippen en ik gooi het laatste aandenken aan mijn verleden weg. Mijn glimlach verdwijnt als ik het water de jas zwaar zie maken en naar beneden zie sleuren, naar de bodem van de oceaan. Ik moet mezelf bedwingen er niet toch achteraan te gaan. Bijtend op mijn wang draai ik me om, ik loop weg en blijf bijten, tot ik de heerlijke, zoete, roestige smaak van bloed in mijn mond proef.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen