OPDRACHT 4.

Voor deze opdracht wil ik dat je iets schrijft dat te maken heeft met één van onderstaande thema’s. Je hoeft de thema’s niet op voorhand aan mij door te geven, maar vermeld je thema toch even in het SA.
Let vooral op originaliteit en probeer zo creatief mogelijk met de thema’s om te gaan. Ga ze niet letterlijk interpreteren, maar probeer iets achter het thema te zoeken. In je SA beschrijf je dan je situatie, maar je legt op een subtiele manier uit waarom het bij het thema zou passen.

Te kiezen thema’s:

1. Over de grens
2. Tussen leven en dood
3. Gewoon maar een illusie
4. We zijn niet meer in Wonderland
5. Ze hebben geen keuze
6. Aan de oevers
7. In de kast
8. Het Zwanenmeer
9. Verlangen naar succes
10. Bindingsangst

Minimaal aantal woorden: 800
Deadline: 9 mei 2012

Ik heb eerst het thema "Over de grens" gekozen, maar toen ik het nalas zag ik dat het ook wel bij "We zijn niet meer in wonderland" hoort... Dus het zweeft een beetje tussen die twee thema's in. Vandaar ook de titel ^^

De wedstrijd was net afgelopen, één nul verloren. Zwaar klote, want we hadden enorm hard voor deze match getraind. Geen finale voor ons dus. Ik werd overspoeld door een machteloze woede toen deze gedachte in me op kwam. Mijn hand balde zich samen in een vuist en ik moest moeite doen die niet tegen de muur aan te slaan. De warme, harde stralen van de douche striemden over mijn rug en lieten het koude zweet van mijn lichaam aflopen, het verdween samen met de doelloze woede in het putje onder mijn voeten. Ik kwam, zoals altijd, weer een beetje tot mezelf door het hete, stomende water. De adrenaline van de wedstrijd spoelde weg en ik kon weer helder denken. Langzaam ontspanden mijn vingers zich en mijn adem ging weer rustig en diep. Ik liep onder de douche uit en sloeg een handdoek om me heen. Mijn team stond zich al om te kleden, ik was altijd de langzaamste met douchen, aangezien de hete waterstralen ervoor zorgden dat ik ontspande. Snel ging ik met de handdoek over mijn lichaam en mijn korte zwarte haar. Ik schoot in een trainingsbroek en besloot dat het warm genoeg was voor alleen een shirtje. Samen met de rest van mijn team vertrok ik naar buiten waar de vertrouwde meute journalisten me al op stonden te wachten. Ik negeerde ze en liep met mijn blik op oneindig naar de limousine die speciaal voor ons was voorgereden. De auto vertrok, het zachte zoemende geluid van de motor vulde mijn oren. Niemand sprak, iedereen was in een verslagen stemming geraakt. Niemand wilde echt beseffen dat we verloren hadden, niet deze wedstrijd. Met een zachte schok kwamen we tot stilstand. Verbaast keek ik op, we konden er nog niet zijn, toch? De chauffeur toeterde ongeduldig. Na een paar seconden klonk de claxon van de limousine alweer. Nieuwsgierig keek ik naar buiten om te zien wat er aan de hand was. Verbazing overviel me toen ik een jonge vrouw voor de auto zag staan, ze had een gerafelde spijkerbroek aan die slobberig om haar smalle heupen hing en een te groot herenvest drukte haar schouders omlaag. Haar gezicht was weggestopt in de capuchon, maar ook al was ze niet goed te zien, het was overduidelijk een vrouw. Mijn verbazing veranderde in minachting, het was vast een zwerfster. Maar ze verdween nog steeds niet toen de chauffeur gas gaf en dreigde haar te overrijden. Ik boog me naar voren.
‘Zal ik even vragen wat ze wil?’ De chauffeur knikte, hij wist ook niet wat we er anders aan moesten doen. Dus liet ik mijn raampje zakken en boog ik eruit. Ik ving haar blik en gebaarde dat ze naar me toe moest komen.
‘Wat scheelt er?’ vroeg ik zodra ze naast me stond.
‘Ik vroeg me af of een van jullie me kan helpen,’ zei ze, haar stem klonk rauw en hard, de klank erin was niet bepaald prettig om te horen.
‘En waarmee dan wel?’
‘Een vriendin van me heeft al een dag lang weeën en ze kan niet lopen van de pijn. We kunnen dus niet naar een ziekenhuis en niemand wil helpen. Ik heb haar beloofd hulp te zoeken en zo snel mogelijk terug te komen, maar niemand wil zijn auto aanbieden of zijn telefoon zodat ik kan bellen. Oh alstublieft meneer help me toch.’ De harde uitdrukking op haar gezichtje had plaatsgemaakt voor een hartverscheurende wanhoop. Nou de dag kon niet bepaald veel erger worden, schoot er door mijn hoofd. Zonder ook maar een moment na te denken stapte ik uit de auto.
‘Wacht maar niet op mij,’ schreeuwde ik de auto binnen en toen rende ik achter de vrouw aan. Terwijl de grond onder mijn voeten voorbijgleed keek ik rond, de wijk waar we nu in terecht waren gekomen had ik nog nooit gezien. Op iedere hoek hingen donkere jongens en mannen met jointjes rond, een sterke lucht van wiet hasj en iets sterkers kwam van hen af walmen. Er werd overduidelijk gehandeld in ieder illegaal object dat je je maar kunt voorstellen. Duistere blikken werden mijn kant op geworpen toen ik hun richting uit keek. Boven me torenden hoge vervallen flats uit. De meeste ramen dichtgetimmerd en de deuren vergrendeld. De straten lagen vol afval, voornamelijk lege drankflessen en vuile vodden, ook zag ik af en toe een gesmolten zilveren lepel en injectiespuiten. Het duurde even voor ik besefte dat de hoopjes vodden mensen waren die her en der verspreid, onder afdakjes of gewoon midden op straat, lagen te slapen. Deze wereld was heel erg anders dan de omgeving die ik gewend was. Dit was de keerzijde van de stad en ik twijfelde even of ik wel door moest gaan, maar ik had mijn besluit genomen, ik moest deze vrouw helpen. We waren bij een portiekje aangekomen, de deur was met houten planken dicht getimmerd en op de bovenste trede, op een verlept bed van karton, lag een meisje dat niet veel ouder kon zijn dan een jaar of vijftien te kermen van de pijn. Haar bruine huid gloeide rood en in haar donkere ogen was alleen maar leed en wanhoop te lezen. Ik stak instinctief mijn hand uit, ik weet niet waarom, waarschijnlijk wilde ik zo laten zien dat ik kwam om te haar helpen. Haar kleine handje tastte vertwijfeld naar de mijne. Hij voelde warm en was glibberig van het zweet. Toen vertrok haar gezicht in een afschuwelijke grimas en schreeuwde ze het uit van de pijn. Al was het geluid dat uit haar keel kwam niet echt een schreeuw te noemen. Haar stem was schor van het vele krijsen en rauwe keelgeluiden die ze maakten klonken nog afgrijslijker dan het normale gillen dat met dit soort situaties gepaard ging. Haar handje kneep harder in de mijne dan ik voor mogelijk had gehouden voor zo’n klein meisje en het geschreeuw veranderde in gegorgel. Haar gezicht werd nog roder en veranderde naar donkerpaars en daarna naar een vreemde, bijna blauwe tint. Ik voelde haar greep verslappen. Verschrikt keek ik naar haar nu slappe gestalte. Het was een afschrikwekkend gezicht. Het ingevallen gezicht, nu met een bleek grauwe tint onder het bruin. Haar holle ogen, ronddraaiend in hun kassen, haar smalle, bloedende lippen, vast open gebeten om de kreten van pijn te smoren. Mijn blik gleed verder naar beneden, over haar slanke hals, haar uitstekende sleutelbeenderen en haar smalle schoudertjes. Ze was enkel gehuld in een dunne jurk en ik kon de contouren van haar amper ontwikkelde lichaam en haar immense bolle buik goed onderscheiden. Ze zag er bijna surrealistisch uit, zo vreemd stak de bult uit haar magere lichaam. Dit aangezicht was te veel voor me, ik draaide me om en gaf over op de straatstenen die achter me lagen, het misselijkmakende geluid van een maaginhoud die om de grond klettert drong mijn oren binnen. Toen mijn maag leeg was veegde ik mijn mond af en haalde ik nog een keer diep adem. Hierna draaide ik me weer om en keek ik naar de vrouw die me in deze situatie had gebracht, zorgvuldig wegkijkend van het zwangere meisje.
‘En wat verwacht je dat ik doe?’ vroeg ik haar.
‘Niets,’ was haar koele antwoord, ‘ze is dood.’ Ontzet keek ik haar aan.
‘Hoe?’ Was het enige dat ik kon uitstoten.
‘Het gebeurt wel vaker in dit soort situaties, ze is waarschijnlijk gestikt in haar tong. De baby zal nu ook wel overleden zijn dus we kunnen haar net zo goed achter laten.’ Haar ogen waren hard en gevoelloos, een masker van kilte lag over de wanhoop en verdriet die net nog in haar ogen te lezen waren geweest.
‘Hoe kun je hier zo koud, zo gevoelloos mee omgaan?’ De verbazing en minachting in mijn stem waren duidelijk te horen, ik deed dan ook geen moeite ze te verbergen.
‘Het leven op de straat maakt je vanzelf hard.’ Was haar enige antwoord, in haar ogen lag een felle, ijskoude blik en daaronder een glimp van een diep begraven droefenis. Er ontstond een brok in mijn keel bij deze woorden. Het overduidelijke verschil tussen hoe ik leef en hoe deze mensen leven kon op dit moment niet pijnlijker zijn. Ik dacht aan de enorme hoeveelheid geld die ik bezat en de minieme hoeveelheid die deze mensen bezaten, als ze al iets aan geld hadden. De waarheid voelde als een harde stomp in mijn maag en alle lucht werd uit mijn longen geperst. Ik had dit nooit beseft, nooit beseft dat het zo erg was. Koud zweet stond op mijn rug, mijn handen trilden en voor ik mijn benen de opdracht had gegeven waren ze al aan het rennen, weg van deze plek vol lijden en pijn. Het klinkt laf, maar ik kon het niet verdragen. Ik rende tot mijn longen leken te barsten en mijn benen het begaven. Mijn lichaam was volkomen slap en ik liet me neerzinken op de koude straat. Mijn adem kwam hortend over mijn lippen en mijn lege maag probeerde alweer zijn inhoud eruit te gooien. Zoute tranen stroomden over mijn wangen terwijl ik me langzaam en voorzichtig oprichtten en verder strompelde.
Hoe ik terug was gekomen bij mijn appartement was een groot zwart gat in mijn geheugen. Het enige dat ik me nog kon herinneren was het beeld van het dode, zwangere meisje, dit beeld bleef me achtervolgen, iedere nacht, elk maal dat mijn ogen zich sloten.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen