Foto bij [40] Sure

Pov. Damon Salvatore
Ik heb blijkbaar toch geslapen want de zon komt bijna op als ik beneden gelach en een boel herrie hoor. Een hoge vrouwelijke lach klinkt als muziek in m`n oren. voetstappen naderen mijn kamer en aarzelen even bij de deur. Uiteindelijk zwaait die toch open en staat Bonita in de deuropening. Haar kleren zijn gescheurd en bij de stukken op haar schouders zit opgedroogd bloed. Haar ogen zijn donker maar er ligt een opgeluchte glimlach rond haar lippen.
‘Ah… je bent wakker.’ Ik reageer niet, staren is het enige wat ik kan op het moment. M`n ogen worden groot als ze dichterbij loopt en haar hand op m`n voorhoofd legt. ‘Je koorts is weg. Dat is goed.’ Ineens is de opluchting van haar gezicht verdwenen en knielt ze naast het bed neer. ‘Kun je al iets herinneren?’
Langzaam schud ik m`n hoofd. Haar ogen worden nog donkerder dan dat ze al waren, zwart, dat zijn ze nu.

Met een ruk stond ze op en pakte een lok dat roodbruin zag van het opgedroogde bloed. ‘Bah… ik ga douchen. Als je me nodig hebt roep je maar.’
Ze draaide zich om en verdween.
Beneden wordt nog steeds een verhit gesprek gevoerd. Het zal wel. Gapend draaide ik me op m`n zij en trok de dekens hoger op. nog even slapen en dan zou ik morgen weer helemaal de oude zijn.

Pov. Bonita “Bonny” Luxfort
Na een lekkere douche dook ik m`n bed in en bleef daar net zolang liggen tot de zon weer onder ging.
Meteen trok ik een trainingsbroek aan en een te groot shirt. Zonder me zorgen te maken over m`n haar of make-up liep ik de trap af.
Hazel zat in de woonkamer met een lesboek voor haar neus. Het fronsrimpeltje verraadde dat ze er niets van snapte.
‘BONNY!’ gilde ze geschrokken met een hand tegen haar hart gedrukt toen ze me opmerkte. Lachend liep ik door naar de kelder. Ik merkte Damon pas op toen ik de vriezer open trok.
Op een of andere manier waren zijn ogen altijd zwart. Zelfs als hij net gedronken had…
‘Proost.’ Mompelde ik en zette de zak aan m`n lippen waarna ik er simpelweg m`n tanden in liet zinken.
Het begon te wennen, het idee dat ik nu iemand opdrink. Het went. Damon grijnsde en pakte ook een zak, hij volgde m`n voorbeeld en beet de zak open. Een druppel gleed langs m`n mondhoek naar beneden. Loom veegde ik hem weg voor hij op het schone shirt viel. Damon was gestopt met drinken en had met onleesbare ogen de druppel gevolgd. Als ik had kunnen blozen had ik dat zeker gedaan.
‘Bonny?’ March stak z`n hoofd om het hoekje. ‘Kom je? Oh, neem nog maar een paar zakken mee naar boven. Of doe ook maar niet! We gaan een feestje bouwen!’
Hij lachte roekeloos en verdween geruisloos. Snel dronk ik de zak leeg, glimlachte vluchtig tegen Damon en rende achter March aan.
‘Waar gaan we een feestje bouwen?’ hij grinnikte. ‘Zweinsveld.’
Geschrokken bleef ik staan. dan kunnen we net zo goed meteen de Wegisweg oplopen.’
‘Wat heeft Lucian ons nou gevraagd? Nou, dit is aardig afleidend… dacht ik zo.’
Hij liep kalmpjes verder en plofte neer op een stoel. ‘We kunnen dit niet doen!’
‘Waarom niet?’Marti komt binnen lopen terwijl hij een shirt over z`n hoofd trekt. Hazel kijkt heel discreet weg van het aanblik van een half ontkleedde Marti.

Ik zucht en ga bijna bij m`n zusje op schoot zitten. ‘Het kan onze dood worden…’ Marti haalt z`n schouders op en wacht tot ik op de echte reden over ga. Als ik verder niets meer zegt zucht hij.
‘Ben je nou een onsterfelijk wezen of hoe zit dat?’
Ik besluit een keertje iets terug te kaatsen. ‘Hoe weten jullie nou of hybrids onsterfelijk zijn? Ik ben de eerste.’
Hij knikt minzaam. ‘Daar heb je een punt broertje.’ Lachte March terwijl hij op stond.
‘Kom. We gaan met z`n vieren.’
Fronsend keek ik de broers aan. ‘Wie is de vierde?’ ‘Dam-’ ‘Ik.’
Nu kwam ook Damon de kamer in. Mopperend liep ik de naar boven om me om te kleedden.

‘Goed,’ fluisterde ik en wees naar de mensen op straat. ‘ik loop voorop de Zweinskop in. Jullie geven rugdekking mocht dat nodig zijn.’
Ze knikken dus ga ik rechtop staan en slenter kalm door de hoofdstraat naar het bekendste café. Mensen fluisteren en gaan ons uit de weg. Als ik een poster op een winkel zie hangen snap ik het. Mijn gezicht, de menselijke dus niet hoe ik nu ben, staat erop afgebeeld met een prijs eronder.
Minachtend knip ik in m`n vingers, het papier vat vlam. De drie jongens achter me fluisteren, ze hadden dit nog niet eerder gezien. Ze kenden deze kant van mij niet.
Ik grijnsde terwijl de vlammen aan m`n gezicht vraten. ‘Kom.’ Ik slenterde niet langer maar liep doelgericht op het café af. Met z`n drieën gingen we vlak bij de deur zitten. We hadden geen goede dag uitgekozen, half Zweinstein zat er. Inclusief Draco. ‘Jullie wouden drama toch? Wacht maar.’
Ik stond op, streek m`n rokje glad en paradeerde naar Draco toe.
‘Hey.’ hij veerde geschrokken overeind. ‘Bonny!’
Ik boog me naar hem toe. ‘Speel mee.’ Fluisterde ik hem zachtjes toe. ‘We hebben ruzie… zogenaamd.’
Ik reikte langs hem heen en pakte een vol glas botterbier. Met een grijns gooide ik die over z`n hoofd heen. ‘Die verdiende je, klootzak.’ Hij zat verstijfd en met grote ogen op de kruk maar die twee trollen, Korzel en Kwast, stonden op. Kwast greep m`n pols en trok me naar zich toe. ‘Hoe durf jij klein monster.’
Hij tufte, in m`n gezicht. Eventjes werd ik echt boos en gaf hem een harde zet achteruit. Ik trok een vies gezicht en veegde de spuug uit m`n gezicht.

‘Gatver. Damme.’ M`n hoektanden groeiden en ik grauwde. Meteen vlogen in de hoek een stel dooddoeners op. ‘March, die mogen dood toch?’ vroeg ik met suikerzoete stem en m`n ogen op de mannen gericht.
‘Ga je gang liefje.’ Dat liet ik me geen twee keer zeggen.

Pov. Draco Malfidus
Waar dacht ze mee bezig te zijn? Ze word gezocht en dan loopt die lijpe een café binnen. Logisch.
‘March, die mogen dood toch?’
Haar ogen werden inktzwart en was in sterk contrast met haar stem die suikerzoet was. Voor het eerst zag ik het gevaarlijke moordlustige wezen in haar. De twee vampiers die haar kwamen halen in de kelder waren er ook bij. De rossige, March, antwoordde.
‘Ga je gang liefje.’ Meteen schoot ze naar de hoek, ontweek een vloek door een salto te maken en brak de eerste z`n nek.
De tweede miste ineens z`n hart. Ze hield een klont bloederig vlees in haar vuist geklemd. Ze kneep zo hard dat het ding uiteen spatte. Met een flitsende grijns liep ze op de laatste af. Ze likte langs de rug van haar hand en giechelde. De drie mannen die met haar waren deden geen moeite haar te stoppen maar keken wel toe. Ook hun gezichten ondergingen een transformatie, hun hoektanden groeiden, donkere kringen verschenen onder hun ogen en ze bewogen rusteloos door de geur van bloed.
Ondertussen had ze de laatste te pakken en haar tanden in z`n hals gezet. De manier waarop ze de man vasthield had iets intiems, iets teders. Als wist ik maar al te goed dat dit niet lief was.
‘BONITA! WEGWEZEN!’ de andere helft van de tweeling stond bij de deur, de anderen waren al buiten. Een snerpend alarm verscheurde de alledaagse geluiden buiten. Bonita keek om, een druppel bloed gleed langs haar kin naar beneden. Ze begon te rennen en schoot onzichtbaar voor het menselijk oog naar buiten.

SNEAP PREVIEW!

Een kille novemberwind stuwde de zee omhoog, het strand op. Zacht geschreeuw weerklonk vanaf de woeste golven, een paardachtige gestalte rees op uit het water. De lange benen van het wezen waadden naar het droge. De lippen van de capall uisce -ook wel een waterpaard genoemd- waren terug getrokken in een hongerige grijns.
Eenmaal op het droge keek het wezen om een slaakte een schrille kreet die vanaf zee beantwoord werd door nog een waterpaard. De vacht van de capall was donkergrijs en spiegelglad door het water. Volkomen roerloos stond het daar terwijl het de zilte zeelucht opsnoof door de smalle slangachtige neusgaten.
De huid op de schouders rimpelden en het die schudde zich uit. Zelf nu, de vacht onverklaarbaar snel droog, was de vacht glad en had een subtiele waterachtige gloed.
Plots sprong de capall naar voren. De galopsprongen waren ontspannen, soepel en roofdierachtig. Even galoppeerde het paard parallel aan de kliffen mee, de vierkante pupillen op een gedaante bovenop de klif gericht. De hongerige grijs was niet verdwenen maar werd alleen maar erger.
Bij een smal wandelpad naar boven verminderde de capall z`n vaart en draafde omhoog. De spieren in de achterbenen bolden op en slingerde zich als koorden onder die spiegelgladde huid omhoog. De oren van het wezen draaiden de hele tijd rond, speurend naar tekenen van z`n soortgenoten.
Boven aan de klif begon het weer te galopperen sneller dan net. Zelfs deze rengalop was bijna helemaal geruisloos. Nu de vacht opgedroogd was leek het paard van staal gemaakt te zijn.

Reacties (1)

  • Felonys

    cool! moordpartijtje voor de ogen van alle toeschouwers die daar zitten. moet eng zijn om dat zo te zien..

    8 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen