Foto bij ~1~

's Nachts waren er dauwdruppels neergestreken op de het gras dat er voor had gezorgd dat er modderige vlekken op haar maagdelijk witte jurk zaten. Het deed er niet toe. Morgen waren ze weer weg.
Haar rug voelde stijf, de schouders jeukten al enn ook de vreemde constante drang om te niesen was weer aanwezig. Ze was er aan gewend.
Het enige wat ze nog moest uitvinden was waar ze zich bevond. Op dit moment was ze verdwaald.
'Maar zijn we dat niet allemaal?' zou je zeggen. Ik zal je vertellen; dat zijn we. Zij was alleen iets meer de weg kwijt dan wij, normale wezens.
Hoe ze heette? Ik zou het je niet kunnen vertellen.
Hoe ze eruit zag? Dat is compleet jouw keuze.
Ze wist alleen dat ze eenzaam was.
Het enige waarvan ze dacht dat het haar eenzame hart kon repareren was onbereikbaar.
Liefde ging haar privileges te boven. Haar plichten waren duidelijk, haar behoeften onbelangrijk. Ze deed er ten slotte niet toe.
Ze had een dag.

Tegen de avond begonnen mijn schouders steeds meer te jeuken. Maar hoe vaker ik mijn scherpe nagels langs de koker op mijn rug haalde, hoe erger de jeuk werd.
Ik was onder de mensen op dit moment. Het moest me niet nu gebeuren. Ik mocht nu geen controle verliezen.
Ik sloot mijn ogen en luisterde. De stilste plek was nog geen minuut op sprintafstand. Ik begon te rennen. Mensen zagen me niet.
Ik schoot een stinkend, donker zijstraatje in en zag alleen een donker figuur in een hoody zitten. Hij of zij zat met voorovergebogen hoofd langs de muur en ik vond het veilig genoeg.
Zoveel mogelijk in elkaar gedoken, probeerde ik de in elkaar gevouwen last op mijn schouders op te heffen. Het lukte niet. Er zat weer eens wat vast.
Mijn handboeien waren verfomfaaid van mijn laatste actie van gisteren. Mijn ranke vingers gleden opnieuw naar mijn schouderbladen en zochten de belemmering.
Gevonden. Ik krabde de huid open en trok de veer eruit. Het bloedde niet heel erg. Het was bijna eng hoe makkelijk het was gegaan. Het was zo simpel om mezelf pijn te doen. De veer gooide ik als afval op de grond.
Opnieuw dook ik ineen. Dit zou even pijn doen.
Ik nieste, maar mijn nies ging al snel over in een schreeuw van pijn, toen de haast elektrische stoot zich door mijn ruggengraat trok. Oorverdovend als hij was, hoorden de mensen in de drukke winkelstraat niets. De tranen van pijn gleden over mijn wangen, maar ik was alweer onzichtbaar. De lichtflits had niemand verblind.
Het figuur voor me had me wel gehoord.
Zijn hart bonkte luid. Ik hoorde het. Dit persoon, man of vrouw, arm of rijk, zwart of wit had liefde nodig. Niks was voor mij zo aanlokkelijk als het zo hard kloppen van een hart.
Met trillende vingers reek ik naar de koker op mijn rug. Mijn met straatvuil besmeurde vingers klemden zich om mijn dierbare boog. De zorgvuldig geslepen pijl werd erin geplaatst. Ik plaatste mijn vingers op het koord en trok.
Een kleine aarzeling trok door mijn hoofd. Zoals altijd rond het punt dat ik eigenlijk mijn slag moest slaan.
Hij keek op en ik wist dat ik te laat was. Maar het maakte niet uit. Zodra hij geraakt was, leek alles voor hem te kloppen. Arme stakker.
En ik liet het koord vieren.
Op het moment dat ik de pijl al had laten gaan, keek het meisje op. Haar blauwe ogen boorden zich in de mijne. Haar trieste blik raakte me, en opnieuw was ik het slachtoffer van wroeging. Het was weer eens mijn schuld geweest. Ik had iemands leven verpest.
Het deed pijn. De enige manier waarop ik aan mijn plichten kon ontsnappen, was het wegstoppen van mijn boeien. Ik vertikte het om ze bij hun originele naam te noemen. Bovendien deed dat ook pijn. En die pijn zou naarmate de dag verstreek alleen maar erger worden.
Maar daar had ik wat op gevonden. Ik deed het al tweeduizend jaar lang. Elke dag. Zelfmoord plegen.
Het maakte dat ik elke dag begon met nieuwe schouders. Minder jeukende schouders.
Ik walgde van mezelf om wat ik dit meisje had aangedaan en dwong mezelf mijn handboeien terug in mijn lichaam te stoppen.
Het deed fysiek zoveel pijn dat ik mezelf tot bloeden toe in mij hand moest bijten. Maar ik deed het. En nu moest ik als de sodemieter een hoog punt zien te vinden, anders zou ik ze weer laten ontsnappen.
Ik kon rennen. Gelukkig. En ik wist mijn plekjes. Ik hield van deze stad. De naam wist ik niet, maar hij was groot. En bijna altijd warm.
Dit herkende ik ook. Het was een parkeergarage waar ik in alle rust mijn gang kon gaan. Ik zou toch wel overlijden.
Eenmaal bovenop het gebouw, bloedden mijn voetzolen. Dat kreeg ik ervan als ik niet vloog. Het was een soort straf.
Zodra ik hoorde dat ik alleen was, durfde ik mezelf in volle glorie te laten zien aan de lucht. Deze zou me als een vriend ontvangen.
Ik ademende diep in. Er zat veel zuurstof in de lucht vanavond.
De ontketening was minder pijnlijk dan eerder vanavond. Het voelde heerlijk als de wind door mijn veren blies. Alsof hij elke zenuw in mijn lichaam apart masseerde. Ik stelde me voor hoe dat was als ik straks gesprongen zou zijn.
Het idee maakte dat ik als nieuwsgierig op mijn tenen ging staan en mijn neus vooruit stak, ogen gesloten.
Toen zette ik mezelf af aan de rand en sprong.


Ik zou heel, heel, heel, heel nieuwsgierig worden als ik jullie was. En als ik jullie was zou ik ook heel, heel, heel hard op de kudoknop drukken. Want misschien...

Reacties (6)

  • StyleLamour

    woow,
    je maakt mij heel nieuwsgierig naar het verloop van het verhaal!
    x

    6 jaar geleden
  • MuffinLotte

    GEWELDIG

    6 jaar geleden
  • Gouis

    Dit word echt zeker weten een groots verhaal

    6 jaar geleden
  • xNouis

    Dit is echt geweldig geschreven gewoon!!!

    6 jaar geleden
  • SHAMPOOxFLES

    LOVE IT!
    Snel verduur!

    6 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen