In het donkerte diep

In het donkerte diep
Tuurde zij als men sliep.
Wachtend, smachtend, trachtend
Een glimp op te vangen van sprank'lende ogen
In het gewoel van de zee, onbewogen.

Haar muze klonk van verre
Haar pad geopenbaard door de sterren.
Prachtig, waarachtig, krachtig
Rees zij op, ontembaar als de wind
Door ieder gevreesd, door allen bemind.

Met een list lokte zij haar aan boord
Grimmig en grommend, door niemand bekoord.
Schijnend, verfijnend, verdwijnend
In 't vlees, bloed en been
Dwars door dat al sneed 't mes heen.

Zij omwond haar benen met stevig touw
En duwde ze in de staart van de zeevrouw.
Onbewogen, opgetogen, met schitterogen
Gleed zij met haar handen over de vissenhuid
Breed glimlachend vanwege haar besluit.

Het karkas duwde zij terug in haar vochtige rijk,
Voor altijd en eeuwig buiten ieders bereik
Bedervend, zielloos zwervend, geen man meer verwervend.
En zij met de nieuwe staart dook in 't diepe duister,
Waar golven zich vermengden met haar gefluister.

Al de mannen die haar nooit hadden zien staan,
En haar onnoemelijk veel leed hadden aangedaan.
De zeefeeks begerend, zichzelf onterend, de aardse pracht negerend.
Zij wilde hen nu met zich de diepte in sleuren
Waar tentakels van zeemonsters hen uiteen zouden scheuren.

Met haar nieuwe staart kwiek, zwom zij naar benee
De kilte nam toe, haar longen niet bestemd voor de zee.
Grauwend, knauwend, om zich heen klauwend
Zonk zij terwijl men sliep
In het donkerte diep.



Reacties (3)

  • Eleonora

    Jij schrijft echt mooi!!

    4 jaar geleden
  • Reiner

    Mooi gedicht!

    4 jaar geleden
  • Laleah

    Heel gaaf gedicht!

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen