• Jaren na de dood van Avatar Aang is er nog steeds geen opvolgende Avatar verschenen. De wereld is een chaos geworden en gesplitst in vier onafhankelijke rijken. Het Waterstammen, het Aarderijk, de Vuurnatie en de Luchtnomaden. Beide naties staan onder leiding van één leider. De leiders, alle vier even dominant, hebben één doel voor ogen: de oorlog winnen en de macht hebben over de hele wereld. De ene wil er een democratie van maken, de andere wil juist de monarchie en dictatuur. En natuurlijk hebben de leiders ook andere redenen.
    Alle water-, aarde-, lucht- en vuurmeesters worden opgetrommeld door hun leiders om mee te vechten in de oorlog. Al dan niet vrijwillig. Ze worden gedwongen bij hun eigen element te blijven, ook al zien ze meer toekomst in de overtuigingen van andere leiders. Waar de leiders geen rekening mee gehouden hebben is dat er tijdens de oorlogen ook gepraat wordt. Meningen worden gedeeld, conclusies worden getrokken en zo ontstaat er een vijfde partij die enkel geheim kan samenkomen, 's nachts. Ondergronds. Deze partij wordt geleid door een persoon die luistert naar het volk, die zorgt dat er voor iedereen een toekomst zou kunnen zijn.
    En de Avatar...? Waarschijnlijk leeft hij in één van de naties, zich verschuilend of misschien zelfs niet wetend dat hij de avatar is en druk gezocht wordt door alle vijf de partijen.


    Avatar is al bezet. .
    Invullijstje:
    Naam:
    Leeftijd:
    Geslacht:
    Element:
    Rol (leider/soldaat/vijfde partij. Degenen bij de vijfde partij kunnen géén leider zijn én horen ook bij de andere rijken als soldaat.):
    Uiterlijk:
    Karakter:
    Extra:


    Vuurnatie:
    ~ Jason Rivano Grimmshk || Leider ~ Leviosae - 1,3
    ~ Jinora Rani Thendeva || Vluchtelinge ~ Raziel - 1,5
    ~ Adelyn Chloe Cavett || Soldaat, Vijfde Partij ~ Macabre - 1,2
    ~ Gereserveerd ~ Huoriel


    Waterstam:
    ~ Allan Odar Haisle || Leider ~ Sempra - 1,2
    ~ Jonah Anna Danomi || Burger ~ Luminoase - 1,5
    ~ Kami ''Bloody'' Breaidoa || Burger ~ Baelo - 1,4
    ~ Aislinn Sadie Lo || Soldaat, Vijfde Partij ~ Macabre - 1,2


    Luchtnomaden:
    ~ Melchior Omar Flemming || Leider ~ Catesby
    ~ Flyson Hires || Soldaat ~ JJHamblett - 1,2
    ~ Augustus Phoenix Simeon || Generaal, Vijfde Partij ~ Kodaline
    ~ Faya Nilenn Aéras ~ Maniae - 1,7

    Aarderijk:
    ~ Altair Hakon Grahn || leider ~ Catesby
    ~ Jaydee nora Mao || soldaat, Vijfde Partij ~ nakito
    ~ Erin Beifong || Leermeester ~ Hour - 1,5
    ~ Nicolai Vern Ojeda || Soldaat. ~ Kodaline - 1,7

    Rollentopic

    Regels:
    - Minimaal 8 regels schrijven
    - Graag met leestekens en hoofdletters typen.
    - OOC graag met haakjes; [] {} () - -
    - Liefde tussen mensen mag, maar houdt het realistisch.
    - Geen Mary Sue's (perfecte personages)
    - 16+ en schelden mag, maar niet OOC
    - Geen personages van anderen besturen.
    - Geen personage's doden zonder toestemming van die persoon
    - Alleen Catesby maakt topics aan
    - Melden als je je nickname veranderd

    [ bericht aangepast door Galateia op 27 mei 2013 - 19:11 ]


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    [Nee, dat begrijp ik. ^^ Ik post in de late middag -en anders vanavond- iets, ik moet nu even weg. c:]


    "When all of your wishes are granted, many of your dreams will be destroyed.''

    Jinora Rani Thendeva || Vuurnatie.
    Rani voelde zich zoals gewoonlijk weerloos, hoe ze hier alleen door de woestenij met enkel hier en daar een boompje liep. Memphis, die voor haar door de lucht cirkelde, landde af en toe op haar schouder. Ze had geen idee waar ze was. Voor de zoveelste keer haalde ze de kaart van achter haar riem en tuurde ernaar in de hoop een herkenningspunt te vinden. Ze gokte dat ze ergens in de buurt van de Zuidelijke Luchttempel was, maar ze zag niets wat daarop leek.
    Rani bedacht zich dat het enige wat ze er waarschijnlijk van zou kunnen zien, bergen zouden zijn, aangezien de Luchttempel zelf zich boven de wolken bevond. Althans, dat was wat ze gehoord had. En dan nog, ze zou er toch nooit bij geraken. En wat had het voor nut? Er zou toch niemand zijn, en als er wel mensen waren, dan zouden ze haar niet willen helpen.
    Rani had het warm, ook al waren de enige kleren die ze aanhad een zwartleren broek en daarboven een hemd. Het was waarschijnlijk de donkere kleur die de warmte aantrok. Rani twijfelde voor de zoveelste keer of ze niet zou terugkeren, maar ze was al een dag aan het reizen van het dichtstbijzijnde dorp. Ze dacht er even te kunnen leven, ze had zelfs werk gevonden, maar toen viel er een leger binnen om nieuwe mensen te rekruteren. Het hield ook nooit op. Rani wist niet eens waar ze heen wilde. Vroeg of laat zou ze toch als soldaat in de oorlog worden ingezet.
    Met een diepe zucht viel ze neer in de schaduw van een boom en staarde om zich heen. Er was echt helemaal niets wat op leven wees. Ze overwoog om Memphis op de uitkijk te sturen, maar ze betwijfelde of de vogel haar zou verstaan. Eerst en vooral zou ze een bron van water moeten vinden. De waterzak die aan haar riem hing was niet echt meer vol. Ze had nog een heel klein beetje proviand, maar ze had niet eens honger. Rani haalde een hand door haar haar en bond het in een paardenstaart samen op haar hoofd met een rood lintje. De ijzeren beschermbanden die iedereen leek te dragen in de Vuurnatie, knelden rond haar armen. Ze waren handig in gevechten, maar dat was dan ook het enige. Rani begreep niet hoe mensen er constant mee konden rondlopen.
    Ze deed de dingen los en hing ze bij de rest van haar spullen rond haar riem, waarbij ze de knoop in de mouwen van haar mantel die rond haar middel hing aanspande. Ze twijfelde of ze het ding niet ergens zou droppen, maar het leek haar niet handig voor wanneer ze weer in het koude gedeelte van het land zou zijn.
    Ja, ooit had Rani een rijdier gehad, maar ook die had ze in het dorpje moeten achterlaten. Ze kon het dier niet meer vinden nadat die legereenheid was binnengevallen. Het meisje haalde even diep adem en kwam weer overeind, om doelloos verder te wandelen naar een onbekende bestemming en zich voor de zoveelste keer af te vragen waar ze in hemelsnaam aan was begonnen. In de verte zag ze bergen, maar dat was ook het enige. Ze verdwenen in de wolken. Ze besloot ernaartoe te wandelen om te zien of ze er een schuilplaats kon vinden om even uit te rusten; een grot of zoiets.

    Faya Nilenn Aéras
    Ik loop al een tijdje rond, opzoek naar Toto. Een tijdje is eigenlijk nog zacht uitgedrukt, aangezien ik al sinds het ontbijt naar hem zoek. Hij gaat na het ontbijt meestal opzoek naar nootjes, terwijl ik aan het mediteren ben. Een gedeelte eet hij op, een ander gedeelte gooit hij naar mensen, daar is hij nu vast en zeker mee bezig. Ik zou nu eigenlijk moeten trainen, maar ik train gewoon liever met Toto erbij, dan voel ik me veiliger, ook al is hij maar een kleine gevleugelde Lemur.
    Als laatste optie besluit ik naar de Grote Zaal te gaan, waar Melchior waarschijnlijk is, één van Toto's favoriete personen om nootjes tegen aan te gooien. Het is maar goed dat hij niet een al te serieuze en strenge leider is, anders zou ik vaak in de problemen zitten. Elke dag wel, denk ik. Ik vind het fijn dat hij niet altijd serieus is, al zijn er vast wel mensen die dat totaal niet fijn willen. Daarom zou ik ook geen leider willen zijn: ik zou nooit, maar dan ook écht nóóit tegen de verwachtingen kunnen opleven. Melchior kan dat wel, al ziet hij dat zelf volgens mij niet altijd in.
    Bij de deur die naar de Grote Zaal leidt aangekomen gebruik ik mijn luchtstuur technieken om de deur open te krijgen. Dat is het fijne aan de tempel. Vele deuren kunnen alleen open gemaakt worden door luchtstuurders, dus een vijand van een andere natie zou hier niet veel kunnen. Al je natuurlijk altijd de helft platbranden zoals die achterlijke vuurstuurders deden.
    Wanneer ik de deur open heb gemaakt storm ik naar binnen, maar ik had beter kunnen wachten aangezien er klaarblijkelijk een vergadering aan de gang is. Mijn blik valt hierna gelijk op Toto, die inderdaad nootjes tegen Melchior aan het gooien is. Snel loop ik verder, naar Toto, en pak ik hem op. 'Niet doen, nootjes gooien is niet lief,' berisp ik hem, al verstaat hij me waarschijnlijk toch niet. Met een lichte blos op mijn wangen wend ik me tot Melchior. 'Eh, sorry dat Toto jullie lastig viel,' zeg ik. 'En dat ik zomaar binnenviel.'


    To the stars who listen — and the dreams that are answered

    Altair Hakon Grahn
    “Zenuwachtig, adrenaline, spanning, druk,” antwoordde Erin terwijl ze nonchalant tegen de ijzeren tafel achter zich leunde. “Weer een nieuwe veldslag. Het zou me verbazen als deze oorlog ooit nog stopt. Zelfs de avatar zou dit niet kunnen stoppen, denk ik.”
    “Het stopt als we winnen,” verzekerde ik haar. “En ik weet het niet. De avatar zou een hulpmiddel kunnen zijn, maar ik ben zeker dat we het zonder hem ook wel zouden kunnen.” Ik glimlachte in haar richting, maar luisterde nog maar half mee naar ons gesprek omdat de mensen achter ons druk aan het discussiëren waren en het op een ruzie leek uit te draaien. “En,” vroeg Erin, wat ik nog net op tijd verstond, “nog een nieuwe positie voor me in de opstelling?”
    “Ik leg straks wel alles uit als iedereen er is,” zei ik snel, terwijl ik me al half omdraaide. “Anders moet ik het honderd keer gaan uitleggen.”
    De mannen achter me waren elkaar al aan het duwen, dus sprong ik tussen beiden en hield met mijn handen op veilige afstand van elkaar. Links van me stond een iets oudere man, ik schatte hem zo’n jaar of vijfenvijftig. Hij had een litteken op zijn linkerwang en zag eruit alsof hij zijn leven al afgeleefd had. De andere man, aan mijn rechterkant, was echter wat jonger. Hij zag er nog fris en gezond uit, alsof hij nooit wat te kort was gekomen. En ergens was ik wel blij voor hem dat dat zo was, maar nu moest hij geen amok komen maken. “Houdt het een beetje rustig, ja?” gromde ik tegen beiden met een waarschuwende toon in mijn stem. “Ik heb jullie nodig. Heelhuids, begrepen?”
    Beiden knikte, maar gaven elkaar nog een dodelijke blik. “Mooi zo,” zei ik. “Geef elkaar nu een hand, zeg dat het je spijt en dan wil ik er geen woord meer over horen.”
    De oudere man snoof en wilde zijn hoofd al schudden, maar bij het zien van mijn blik liet hij zijn hoofd hangen als een kleine puppy en mompelde een net niet onverstaanbare sorry. De jongeman rechts van me stak zijn hand naar hem uit en verontschuldigde zich ook met tegenzin. De handen werden geschud, een paar verwachtingsvolle blikken werden op me geworpen en ik knikte goedkeurend. “Mooi zo.”

    Melchior Omar Flemming
    Ik zat met mijn handen in mijn haar mee te luisteren naar de vergadering. De generalen en alle andere mensen die iets belangrijks betekende in deze oorlog waren aan het overleggen over welke strategieën ze het beste konden gebruiken.
    Of ja, ik zat hier verveeld nootjes te ontwijken omdat we Toto niet te pakken kregen. Maar in ieder geval was het interessanter dan luisteren naar hun discussies. Ik wist wel dat het belangrijk was, maar tot mijn geluk werd er altijd aan het einde van de vergadering een samenvatting gemaakt van alle belangrijke dingen. Dingen die ik moest onthouden dus.
    Ik stak mijn tong uit naar Toto, die zijn arm weer ophief om nog een nootje te gooien. Om een of andere reden kon dat beest ontzettend goed richten en hij had de nijging om nogal hard te gooien. Ook nu weer, wanneer het nootje me recht tussen mijn twee ogen raakte. Ik kon een bonk nog horen nadreunen in tegen mijn schedelwand en niet veel later was er een rode plek verschenen waar de noot me geraakt had. Ik had het idee dat Faya hem gewoon getraind had om noten te gooien. Ik begon me al af te vragen hoe dat beest eigenlijk aan noten kwam. Ik nam de noot, die op mijn schoot gerold was, vast en gooide hem terug. Maar miste.
    Opeens vloog de deur open en stormde een verwilderde Faya naar binnen. Ze stopte, richtte haar blik op mij – die nogal betrapt opkeek omdat ik terug had gegooid op het moment dat ze binnenkwam – en stormde weer onze richting uit. “Niet doen, nootjes gooien is niet lief,” probeerde ze het beest, dat het waarschijnlijk toch niet begreep, duidelijk te maken. Toen richtte ze zich ietwat beschaamd op mij. “Eh, sorry dat Toto jullie lastig viel. En dat ik zomaar binnenviel.”
    Ik haalde mijn schouders op. Toto was een goede entertainer, dus mij maakte het niet zoveel uit.
    Achter haar verscheen een tweede man, die een stuk kleiner was dan wij beiden. Hij leek een soort boodschapper te zijn, want hij liep meteen op me af en tikte me aan. Hij bracht zijn hand naar zijn mond, als teken dat hij me iets wilde zeggen. Ik boog wat voorover en luisterde naar de woorden die hij in mijn oor fluisterde. Daarna knikte ik en richtte ik me weer op.
    “Ik moet even gaan,” verontschuldigde ik me. “De plicht roept.” Of in ieder geval een meisje dat voor de tempel aan het ronddwalen was. Ze moest geen luchtmeester zijn, anders was ze hier zelf wel geraakt. Of misschien was ze wel gewond.
    Ik rende naar buiten en raakte met behulp van mijn vlieger veilig op de grond, waar volgens de boodschapper het meisje gespot was. En inderdaad, er stond een meisje. Al leek ze me niet gezien te hebben. Ik schraapte mijn keel en benaderde haar voorzichtig, voor het geval dat ze gevaarlijk was. “Hallo?” vroeg ik zacht. “Mag ik vragen wat je hier doet?”

    [ bericht aangepast door Galateia op 20 mei 2013 - 20:03 ]


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Jinora Rani Thendeva || Vuurnatie.
    De dichtstbijzijnde berg bevond zich op zo'n honderd meter afstand. Rani haalde tevergeefs nog eens de kaart van achter haar riem, alsof ze daarop zou kunnen zien welke berg het zou kunnen zijn. Ze krabde even aan het litteken bij haar sleutelbeen. Het irriteerde haar, het leek alsof de huid zich niet leek te willen aanpassen aan de weggebrande cellen, waardoor de huid bleef irriteren.
    Opnieuw raasden de gedachten van wanhoop door haar hoofd. Ze had enorm veel dorst en was doodmoe. Ze voelde dat haar lichaam het elk moment kon laten afweten. Het liefst van al zou ze zich willen opkrullen onder een boom en slapen, maar ze was niet op haar gemak. Ze durfde niet te gaan slapen voordat ze zeker was dat ze in veiligheid was.
    Vlak voor de berg bleef ze stil staan en staarde omhoog. De top verdween in de nogal lage wolken. Zou dit dan de Zuidelijke Luchttempel zijn?
    Gefrustreerd balde Rani haar handen. Ze voelden verhit aan, maar voordat ze iets in brand kon steken maande ze zichzelf weer tot rust.
    Het meisje wilde net gaan neerzitten in de schaduw van de berg, toen ze iemand zijn keel hoorde schrapen. Met een ruk draaide ze zich om en ging in aanvalspositie staan. Ze had haar kreet net kunnen inslikken. Fijn. Is dat de attitude van een vuurstuurder, Rani? Je slaakt geen meisjesachtig gilletje als iemand je wilt aanvallen. Je houdt je niet in als je gevaar voelt. Toch had ze er na zovele berispingen zich er nooit toe kunnen zetten om tot een directe aanval te gaan.
    "Hallo?" vroeg de jongen zacht. Rani ontspande zich een ieniemieniepitsiebeetje en bestudeerde het uiterlijk van de jongeman. Hij leek rond de vijfentwintig, zijn haar lag perfect - waardoor Rani zich moest inhouden om een pluk vuil donkerbruin haar uit haar gezicht te vegen - had donkerbruine ogen en een heel stuk groter dan Rani. Ze vond het niet leuk om naar hem op te kijken.
    "Mag ik vragen wat je hier doet?"
    "Wie ben jij?" vroeg Rani zonder te antwoorden op zijn vraag. "Ik bedoel... Ik dacht dat luchtnomaden uitgestorven waren." Er klonk een tikkeltje verbazing door in haar stem.

    Augustus Phoenix Simeon
    Met een pen tussen zijn wijs- en middelvinger geklemd luisterde Augustus ongeïnteresseerd naar de strategieën van de andere generaals, kolonels en kapiteins. Af en toe deelde hij zijn mening, maar erg enthousiast deed Gus niet mee. Hij keek de grote zaal rond en zijn oog viel op Melchior, de leider van de Luchtnomaden, die er ook niet met zijn hoofd leek bij te zitten. Niet te vergeten dat Faya's maki, Toto, nootjes naar Melchiors hoofd wierp.
    "Wat vind u, generaal Simeon?" Augusts schrok lichtjes toen zijn naam viel en staarde voor enkele seconden naar de gezichten die hem verwachtingsvol en vragend aankeken. Maar generaal Chao, die naast hem zat, keek eerder verveeld. Augustus ging wat rechter zitten en streek het haar voor zich gezicht naar achteren. "Kan dat even herhaald worden?"
    Chao slaakte een zucht van irritatie, maar Augustus negeerde die en luisterde naar kolonel Jia die het plan opnieuw uitlegde. Het kwam er op neer dat de Vuurnatie zijn krachten zou gebruiken en het Aarderijk zijn hersenen. De Waterstam zou dan weer vertrouwen op de maan. Alles wat nu gezegd werd, was al eerder gezegd geweest. Augustus had niet veel gemist.
    "Wat vind u, heer Melchior?" vroeg generaal Chao vervolgens. Hij had Mechiors lak aan interesse opgemerkt en Augustus kon zien dat de generaal zich voorbereidde op een sneer die hij naar zijn leider kon uithalen. Gelukkig voor Melchior vlogen op datzelfde moment de deuren van de Grote Zaal open en stormde een blonde vrouw naar binnen die Augustus even later herkende als Faya. Ze keek meteen naar Toto en Melchior, waardoor ze de rest van de Zaal negeerde. Generaal Chao sprong op, maar hij werd tegengehouden oor Augustus.
    "Niks aan de hand. Ze komt haar Maki halen." Chao wilde wat terug antwoordden, maar Augustus sterke hand dwong hem terug te zitten, terwijl Faya naar Melchior liep om Toto op te pakken. "Niet doen, nootjes gooien is niet lief," zei Faya op een straffende toon. "Eh, sorry dat Toto jullie lastig viel. En dat ik zomaar binnenviel," zei ze vervolgens. Melchior haalde zijn schouders op maar natuurlijk vond generaal Chao dat niet goed genoeg. Hij sprong overeind, en deze keer kon Augustus hem niet stoppen.
    "Toon wat meer respect voor je leider, meisje," zei hij met een vuurrood hoofd, Melchior leek het niet op te merken want een man verscheen naast hem en fluisterde wat in zijn oor. “Ik moet even gaan. De plicht roept," zei hij vervolgens en verdween door de deuren van de tempel. Even was het stil en enkel Chao's luide ademhaling was te horen. Vervolgens stond Augustus op. "Wel, dan denk ik dat deze vergadering ten einde is. Dank u wel generaal Chao, ik handel het voorval met Faya wel af. U kunt allen gaan."
    Augustus wist wel dat hij het recht niet had om de anderen te commanderen, maar dat kon hem weinig schelen. Melchior zou het met hem eens geweest zijn. Gus knikte naar de mannen en liep toen naar Faya en Toto toe. "Wees in het vervolg voorzichtiger met je make. Generaal Chao stelde het niet op prijs dat hij hier zomaar rondzwierf tijdens een vergadering." Augustus stem klonk vriendelijk, maar toch met een waarschuwende toon in zijn stem. Wat hij eigenlijk bedoelde was 'Wees voorzichtig met generaal Chao. De volgende keer kan zelf ik je niet verdedigen.'


    kindness is never a burden.

    Jaydee nora Mao
    Met mijn ogen dicht en mijn handen achter mijn hoofd, zit ik onderuitgezakt op het bankje voor ons huis. Een voorzichtig zonnetje schijnt tussen de wolken door en er is bijna geen één zuchtje wind. De drukte op straat stoort me niet. Op dit moment van de dag heb ik weinig te doen, waardoor ik me rustig kan ontspannen. Af en toe vang ik flarden van gesprekken op van voorbijgangers. Het gaat vooral over de naderende strijd met de andere naties. Veel aardstuurders worden opgeroepen om in de strijd mee te vechten. Dat betekend dat veel mannen –natuurlijk ook wel vrouwen, maar het merendeel mannen– het rijk zullen verlaten, waardoor de vrouwen en kinderen als vanzelfsprekend achterblijven. Dit levert het nodige verdriet en frustratie op. Waardoor de oorlog het gesprek van de dag is. Mijn ouders zijn geen benders, dus zij hebben weinig te maken met de oorlog. Daardoor verlopen de dagen op ons boerderijtje vrij rustig, zelfs bijna saai.
    Eigenlijk zou ik mezelf ook moeten klaarmaken voor de oorlog, want ik ben ook een bender. Maar weinig mensen weten dit, zeg maar gerust bijna niemand. Dit wil ik graag zo houden, want ik heb geen behoefte om mee te vechten in de oorlog. Ik kan al niet aan het idee denken hoeveel slachtoffers er wel niet zullen vallen. Bovendien heb ik geen zin om als een simpele pion ingezet te worden. Uit voorzorg ben ik minder gaan trainen en train ik alleen ´s nachts, op plekken waar niemand komt. Ik heb het benden nu net onder de knie en wil graag mijn niveau verbeteren. Het is dan zonde om dat te laten verslappen.
    Het wordt weer wat rustiger op straat. Ik luister naar de geluiden die vanuit de boerderij komen en naar de vogels die hoog in de bomen hun bekende wijsje fluiten. Loom dwalen mijn gedachten af en dommel ik weg.


    When you believe your dreams come true

    Melchior Omar Flemming || Luchtnomaden leider
    Het meisje sprong direct in aanvalspositie toen ik mijn keel schraapte. Ik probeerde haar vriendelijk toe te lachen. "Hallo?" vroeg ik zacht en vriendelijk. Het meisje leek zich te ontspannen bij het zien dat ik niet eens aanstalten maakte om aan te vallen. Was ik ook niet van plan. Ik had niet uren zitten mediteren om daarna meteen aan te gaan vallen. Aan haar blik te zien leek het alsof ze vleeskeuring aan het houden was, dus deed ik net hetzelfde als zij. Ze zag er nogal afgeleefd uit en het leek er niet op alsof ze zich in de laatste twee weken gewassen had. "Mag ik vragen wat je hier doet?"
    "Wie ben jij?" vroeg ze terwijl ze mijn vraag negeerde. "Ik bedoel... Ik dacht dat luchtnomaden uitgestorven waren."
    Ik trok een wenkbrauw op. “Ik dacht dat ik hier de vragen stelde,” zei ik rustig. “En ik vind mezelf er nu niet bepaald uitgestorven uitzien. Ik ben Melchior, de leider van de luchtnomaden. Het heeft een tijdje geleken alsof we uitgestorven waren, ja. Maar dat waren we dus niet.”
    Ik zette een paar stappen dichter en probeerde de verbrandde geur te negeren. Het leek eerder alsof ik langs een in vlammen opgegaan huis stond dan naast een levend wezen. “Nu is het jouw beurt. Wie ben je en wat doe je hier?” Mijn stem klonk rustig, beheerst en vriendelijk, zelfs een tikkeltje nieuwsgierig. Maar allesbehalve bedreigend.

    [ bericht aangepast door Galateia op 21 mei 2013 - 21:00 ]


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Jinora Rani Thendeva || Vuurnatie.
    De jongeman glimlachte Rani vriendelijk toe wanneer ze hem half en half wilde aanvallen, maar zich toch terughield. Een vragende hallo en wat ze hier deed kwamen over zijn lippen, maar Rani kaatste enkel zelf twee vragen terug.
    Hij trok een wenkbrauw op.
    "Ik dacht dat ik hier de vragen stelde," zei hij rustig. Rani moest even haar lach in houden, maar trok toch een wenkbrauw op van 'gast-serieus?'
    "En ik vind mezelf er nu niet bepaald uitgestorven uitzien. Ik ben Melchior, de leider van de luchtnomaden. Het heeft een tijdje geleken alsof we uitgestorven waren, ja. Maar dat waren we dus niet." Hij zette een paar stappen dichterbij, waarbij Rani automatisch terugdeinsde. Ze had haar handen teruggetrokken, maar uit haar lichaamstaal viel nog steeds te zien dat ze hem niet vertrouwde, iets wat nogal logisch was.
    Rani moest toegeven dat ze zich op dit moment voor haar uiterlijk schaamde. Ze was nooit in gezelschap geweest van iemand anders, dus deed ze nooit echt moeite om zich te wassen of zo. Natuurlijk nam ze gebruik van rivieren als ze er één passeerde, maar dat was nu ook al een tijdje geleden. Het was niet handig om verdwaalt te zijn. Om de een of andere reden liep Rani altijd de waterlopen mis. Ze slikte even en veegde een pluk haar achter haar oor.
    Haar keel was droger dan zand uit de woestijn. Het voelde schurend aan.
    "Wie ben je en wat doe je hier?" De stem van Melchior klonk rustig en beheerst. Rani vond hem eng, ook al was er niets in zijn blik of toon dat bedreiging uitsprak.
    Rani wilde net haar mond open doen om te antwoorden, toen ze boven haar gekrijs hoorde. Ze keek omhoog en zag hoe Memphis een duikvlucht naar beneden maakte, richting de jongeman rechtover haar.
    "Memphis, nee!" riep ze berispend naar boven. Memphis was een vreemde vogel. Letterlijk. Hij vloog altijd alleen ergens heen, maar van het minste dat hij als bedreiging voor Rani zag, viel hij aan. De Drakenhavik landde op haar schouder. Het meisje kuchte even.
    "Rani," zei ze. "Ik ben verdwaald." Alsof dat niet duidelijk was.

    [ bericht aangepast door Cirilla op 21 mei 2013 - 21:23 ]

    Melchior Omar Femming
    Hoewel haar spottende blik van zonet, deinsde het meisje toch achteruit toen ik dichter kwam. Dus ik bleef op een veilige afstand staan voordat ze echt zou aanvallen. Je wist nooit met mensen deze dagen.
    De jonge vrouw slikte en schoof een flok – volgens mij was het dezelfde als daarnet – haar achter har oren.
    "Wie ben je en wat doe je hier?" vroeg ik, want het zag er niet echt naar uit dat ze nog op mijn vragen ging antwoorden. Ik ging ze niet voor een derde keer stellen, dan hoefde ik al geen antwoord meer. Ik ging haar niet dwingen om te antwoorden en als het mijn zaken niet waren, dan was het zo.
    Boven me klonk een oorverdovende schreeuw, maar ik verrok geen spier. Het was zeer vreemd, maar ik schrok bijna nergens van. Alsof ik het allemaal verwachtte, hoewel het allemaal even nieuw voor mij was. Een of nader beest kwam in aanvalshouding op me afgevlogen, dus ik hief de stok van mijn vlieger al op om mezelf te verdedigen mocht dat nodig zijn.
    "Memphis, nee!" Het beest leek naar haar woorden te luisteren, want hij landde op haar schouder. In mijn ogen zag het er zowat huge uit, maar ik was dan ook maki’s op Toto formaat gewoon en geen vliegende dingen.
    "Rani," antwoordde het meisje dan eindelijk op mijn vraag. "Ik ben verdwaald."
    Ik trok een wenkbrauw op. Ze zag er verdwaald en verwaarloosd uit. Ergens kreeg ik het wel met haar te doen, maar ze had waarschijnlijk toch niets aan medelijden, dus die toonde ik niet. “Waar moet je heen?” vroeg ik. “Ik kan je de weg wijzen.”


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    [Even een vraagje: Wanneer gaat de veldslag ongeveer beginnen?
    Dan kan ik daar rekening mee houden (: ]


    These rings that I'm breaking are making you a personal debt.

    [Emh, nu nog niet aangezien nog niet iedereen gepost heeft :'D]


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Faya Nilenn Aéras
    Na mijn excuses haalt Melchior zijn schouders op. 'Toon wat meer respect voor je leider, meisje!' zegt generaal Chao ineens, met een vuurrood hoofd op. Ik luister niet van hem en houd mijn blik op Melchior gericht. Als hij zou willen dat ik meer “respect voor hem moet tonen”, dan zou hij dat zelf zeggen, daar hoeft die papzak zich niet mee te bemoeien. Melchior besteedt echter verder geen aandacht aan me en luistert naar een klein mannetje die iets in zijn oor fluistert. 'Ik moet even gaan. De plicht roept.' Met die woorden gaat hij er vandoor. Ik slaak een zachte zucht. Hoelang geleden is het wel niet dat ik voor het laatst een normaal gesprok met hem heb gevoerd? Zeker een maand, waarschijnlijk nog wel langer. Ik kan wel snappen dat zijn leiderschap belangrijker is dan om met mij te praten, maar fijn vind ik het niet. Hij zou me nog leren hoe ik een storm moet maken, al kan daar beter voorlopig niet op rekenen. Misschien moet ik maar iemand anders vinden die het me wil leren.
    Ik schrik op uit mijn gedachtes als generaal Augustus begint te praten. 'Wel, dan denk ik dat deze vergadering ten einde is. Dank u wel generaal Chao, ik handel het voorval met Faya wel af. U kunt allen gaan.' Ik trek mijn wenkbrauwen iets op. Voorval? Ik kwam alleen maar Toto halen, bovendien ging Melchior er daarna toch gelijk vandoor, dus maakt het uit? Generaal Augustus loopt naar me toe. 'Wees in het vervolg voorzichtiger met je Maki. Generaal Chao stelde het niet op prijs dat hij hier zomaar rondzwierf tijdens een vergadering.' Zijn stem klinkt vriendelijk, maar er is een duidelijke waarschuwing in te horen. 'Ik kan er ook niks aan doen dat jullie de deuren hier zo lang open laten staan dat Toto naar binnen kan komen,' zeg ik schouderophalend, al kan hij ook door het raam gekomen zijn. 'En als generaal Chao Toto iets aandoet, dan blaas ik hem persoonlijk van het hoogste punt of dat ik kan vinden.' Dat zal ik ook niet doen, met mijn hoogtevrees, maar het is wel duidelijk wat ik bedoel. Ik druk Toto iets tegen me aan en hij drukt zijn kopje tussen mijn blonde lokken.

    [ bericht aangepast door Morrigann op 23 mei 2013 - 22:37 ]


    To the stars who listen — and the dreams that are answered

    Jinora Rani Thendeva.
    De jongeman bleef ongelofelijk kalm. Rani had wel eens gehoord over de onverwoestbare kalmte die sommige monniken bezaten. Ze bewonderde het, maar tegelijkertijd begreep ze totaal niet hoe ze het konden. Zelfs toen de kreet van Memphis de hemel vulde, bleef hij ijzig kalm.
    Rani kon de vogel nog net op tijd afweren.
    Bij het antwoord van het meisje trok Melchior een wenkbrauw op.
    "Waar moet je heen?" vroeg hij. "Ik kan je de weg wijzen." Rani deed haar mond open om wat te zeggen, maar toen besefte ze dat ze niets had om te antwoorden. Ze probeerde te bedenken wat haar doel was, maar ze wist het niet. Ze rende gewoon weg van de oorlog. Ze voelde dat ze door iets geroepen werd, maar ze had geen idee wat het was. Het was vreemd. Ze bleef een paar dagen in een dorp en ging dan weer weg, dwalend over wegen die ze amper kende met een kaart die ze half kon lezen.
    "I-ik," begon ze, zoekend naar een antwoord. Ze staarde naar beneden en haar armen vielen slap naar beneden. "Ik weet het niet. Ik... Ik loop gewoon weg, denk ik. Weg van oorlog en moord en dood en weet ik veel wat. Ik ben een lafaard." Het laatste kwam er amper als een zucht uit. Ze bleef naar de grond staren.

    Melchior Omar Flemming
    Het meisje trok haar mond open om wat te antwoorden, maar er kwam geen geluid uit. Een tijdje bleef haar mond openhangen en bleef ik haar afwachtend aankijken tot er eindelijk wat geluid uit haar keel leek te komen. "I-ik," haar stem was vervuld van twijfel en haar armen vielen opeens lang haar lichaam af, alsof ze geen botten meer bezaten. "Ik weet het niet. Ik... Ik loop gewoon weg, denk ik. Weg van oorlog en moord en dood en weet ik veel wat. Ik ben een lafaard." Ik schudde mijn hoofd en keek haar onderzoekend aan en zette een paar stappen in haar richting, toch richtte ik mijn blik even op de vogel voordat hij me opeens aan zou vallen. “Daarom ben je geen lafaard,” zei ik zacht. “Dat is juist heel normaal. Het probleem is enkel dat er niet echt een plaats is waar er geen oorlog is…”
    Ik liet mijn staf rustig zakken en probeerde haar blik te vangen. Het maakte niet uit in welk gebied je je bevond, er was oorlog. Maar ik was ook te koppig om het op te geven. Ik was niet van plan mijn volk te laten lijden onder deze oorlog. Voor mij was het zelfs goed als we dit allemaal op een akkoordje zouden gooien, zo lang alles hier maar bleef als het was. “Er is nog wel plaats hier, maar veiligheid is niet gegarandeerd.”


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov