• Ik zit al een tijdje met een idee voor een nieuwe story in mijn hoofd, maar het enige probleem is dat ik tot nu toe enkel de grove lijnen weet en werkelijk 0 inspiratie heb voor het verhaal zelf. Daarom leek het me wel handig om een co-writer te zoeken, zodat we samen wat zouden kunnen brainstormen over het verhaal en zodra we een goed idee ontwikkeld hebben, er natuurlijk ook aan kunnen schrijven. Onder de spoiler vinden jullie kort de basisgedachte van dit verhaal.



    De kinderen van Firuzeh zijn de overwinnaars,
    zeker van hart en scherp van geest.
    Bahadur duidt degenen met de kracht en geest
    van een krijger aan tot de zijnen.
    Azarakhsh' zonen en dochters zijn onbezonnen
    en gevaarlijk als een storm.
    En Atash kiest hen die branden.

    - Uit de oude geschriften
    van de Kinderen van het Lot.


    Geïnteresseerd? Vul dan volgend lijstje aan:

    Naam:
    Leeftijd:
    Heb je toevallig al ideeën voor dit verhaal?
    In welke tijd en persoon schrijf je het liefst?
    Heb je ervaring?
    Extra:

    Graag ook een recent geschreven stukje bijsluiten. Dit hoeft niet lang te zijn.
    Wegens een behoorlijk drukke agenda, zal mijn keuze ten laatste op aanstaande donderdag bekend worden gemaakt.

    [ bericht aangepast door Vasya op 21 juli 2014 - 21:36 ]


    “You’re a storyteller. Dream up something wild and improbable. Something beautiful and full of monsters."

    Ik heb wel interesse! Zal morgenochtend, als ik een laptop tot mijn beschikking heb, het lijstje wel even invullen. (: Aangezien ik toch niet kan slapen en klaarwakker ben:

    Naam: Scribe/Tialda (Bijnaam is over het algemeen Ti)
    Leeftijd: 19
    Heb je toevallig al ideeën voor dit verhaal? Nog niet, maar aangezien ik waarschijnlijk toch de hele nacht wakker ben, zal ik even gaan brainstormen.
    De kinderen van Firuzeh zijn de overwinnaars,
    zeker van hart en scherp van geest.
    Bahadur duidt degenen met de kracht en geest
    van een krijger aan tot de zijnen.
    Azarakhsh' zonen en dochters zijn onbezonnen
    en gevaarlijk als een storm.
    En Atash kiest hen die branden.
    - Uit de oude geschriften
    van de Kinderen van het Lot.

    Firuzeh, Bahadur, Azarakhsh en Atash, zijn dat leiders of Goden? Als het leiders zijn, kun je evt doen dat ze een queeste met elkaar moeten volbrengen o.i.d Wil je er een beetje romantiek in? Of vooral Actie? Dan kun(nen) je/we doen dat ze tegen elkaar moeten strijden. Of je kunt een cross-over doen. Dus dat een meisje/iemand van deze wereld naar die wereld komt(Op wat voor manier weet ik nog niet), (voor een queeste) en van alle vier 'rijken?' iemand ontmoet die haar met haar opdracht helpen. Ook zouden we/je bij elk hoofdstuk iets Uit de oude geschriften kunnen schrijven (net zoals de edelsteen trilogie).
    Ik weet het nog niet helemaal, maar ik zal hier nog wel verder over nadenken. Dit klinkt wel heel erg interessant.^^

    In welke tijd en persoon schrijf je het liefst? Het allerliefste schrijf ik in ik-persoon, verleden tijd (vrouw), maar tegenwoordige tijd kan ook. (Hoewel er dan wel kans is dat ik dt fouten kan maken. Dat geef ik eerlijk toe.)
    Heb je ervaring? Ja, ik heb ervaring met schrijven, al zeg ik het zelf. In de afgelopen jaren dat ik schrijf heb ik heel wat ervaring opgedaan en ik begin nu mijn eigen schrijfstijl te ontdekken en het genre wat ik leuk vind. (Sci-Fi/Fantasy/Horror/Thriller)
    Extra: Ik heb zelf What's app en evt. Skype. Via app kunnen we evt. ook via voice messengers gemakkelijker communiceren. (of gewoon tekst, kan ook)
    - Ik kan niet elke dag schrijven. Hooguit één a twee keer in de week. Mijn stukjes zijn meestal tussen de (minimaal) 400/500 en 800 woorden. Bij hoge uitzondering rond de duizend, maar dat komt zelden tot nooit voor.

    Hier heb ik wat stukjes over wat ik (zoal) het afgelopen jaar heb geschreven:

    Ik-vorm, tegenwoordige tijd.


    De kleuren van Ailith.
    De stad Ailith, is verdeeld in twee groepen. Mensen met bruine ogen en mensen met groene ogen.
    Alexis, een zeventienjarig meisje, heeft groene ogen. Op een dag ontmoet ze Collin, een jongen met bruine ogen. Alexis leeft in het rijke gedeelte van de stad, Collin niet. Ze leven in twee verschillende werelden; de één met veel regels en discipline, en de ander vrij en onbezorgd. Rijk en arm.
    Er ontstaat echter een onmogelijke, verboden vriendschap die langzaam overgaat in liefde. Als er op een dag een zeventienjarig meisje, genaamd Grace, voor hun neus opduikt, ontdekken ze dat er veel meer verboden dingen in en rondom de stad rondgaan. Grace heeft namelijk blauwe ogen. Een verboden oogkleur.

    Langzaam stapelen de problemen zich op. Alexis en Collin worden ontdekt. Ze vluchten, op zoek naar Grace. Ze had het over een verzetskamp, waarin ze leeft. Na lang zoeken komen ze erachter dat het verzetskamp onder de stad gevestigd is. Er zijn nog niet veel mensen die in het verzetskamp leven, maar een begin is er. Het begin van een opstand is begonnen.
    Zelf heb ik groene ogen. Smaragdgroen om precies te zijn. Omdat ik groene ogen heb, woon ik dan ook in het midden van Ailith, de stad waarin ik woon. De Binnenstad heet het. Hier wonen alle mensen met groene ogen. Groene ogen hebben is heel belangrijk, want anders kom je niet levend de grens over naar De Binnenstad. De Binnenstad is afgescheiden van de Buitenwijken, door middel van een hoge muur. Om de muur heen zit nog prikkeldraad.
    Ik heb in mijn hele leven en dat is om precies te zijn zeventien jaar, nog maar één iemand die uit de Buitenwijken komt, gezien. Dat duurde echter maar heel kort, want hij werd op dat moment op het plein berecht. Hij was kennelijk de bewaking te slim af en is hier, in de Binnenstad gekomen. Ik voel me sinds dien niet meer veilig. De muur die ons van elkaar afhoudt, beschermt ons tegen hun. Maar als één door de bewaking komt, zullen er vast wel meer komen. Zomenteen is iedereen uit de Buitenwijken hier. Gelukkig is de man nu dood, hij is van zijn leven beroofd door middel van een simpel schot door zijn hoofd. Ik weet nog hoe hij in elkaar zakte en hoe de klap klonk, toen hij met zijn hoofd op de vloer terecht kwam. Ik weet nog hoe zijn ogen mij mijne doorkruisten. Vrijwel alle glans was er meteen uit. Ik krijg nog steeds de rillingen als ik er aan denk. Ze hebben zijn lichaam nog drie dagen laten liggen. Iedereen liep er met een grote boog omheen. Niet alleen de misselijk makende geur die er om heen hing, was niet te harden, maar de man was de tweede nachts ook aangevreten door dieren. Er is gespeculeerd dat het ratten waren, maar niemand heeft daar het bewijs van. Hier in Ailith zijn nooit ratten. Waarschijnlijk is de man daarom weggehaald, omdat hij helemaal aangevreten was. Delen misten uit zijn lichaam en het lag in kleine aangevreten stukjes om hem heen. Wat er daarna met de man is gebeurd weet niemand, maar er is tot heden aan toe, niemand van de Buitenwijken meer over de muur geklommen.
    Ik ben dan ook aan het wandelen, zo dicht mogelijk bij de muur. De muur biedt me bescherming. Ik vind het ronduit interessant. Het beangstigt en fascineert me tegelijk. Wat me fascineert? De muur zelf natuurlijk niet. Die is gewoon van steen gemaakt. Niks bijzonders aan. De geluiden die van achter de muur te horen zijn, dat fascineert me. Ik probeer er een beeld in mijn hoofd bij te bedenken. Wat zijn ze aan het doen? Hoe zien ze eruit? Zijn ze aan het wandelen, net zoals ik, of zijn ze boodschappen aan het doen? Misschien gaan ze wel naar vrienden toe.
    Eigenlijk zijn het mijn zaken niet. Dat weet ik dondersgoed, want de grenswachters kijken me altijd afkeurend aan. Het zijn mijn zaken niet en ik mag me er niet mee bemoeien. Hun blikken vertellen me al genoeg. Ze hoeven het niet eens te zeggen.
    De grenswachters negerend, loop ik het voetpad af, naar huis toe. Ailith heeft vrij oude gebouwen, vooral de kerken. Er zijn er twee, één in de Buitenwijken en één hier, in de Binnenstad. Je hoort de klokken, elk uur, om en om luiden. Die van ons is hoog en luid, waar je ook in de Binnenstad bent, je hoort hem luid en duidelijk. Die van de Buitenwijken is vrij zacht en hoor je pas als je echt goed luistert.


    Ik-vorm (brieven, vooral gedachte omschrijvingen) (stukje uit fanfic)
    Dear Harry,

    De weg naar school en van school weer terug is een hel. Het is niet zover fietsen, dat niet. Het zijn maar tien minuutjes. Dat is echt niet het ergste. Het ergste is dat ik het de helft van het jaar moet lopen. Ze steken mijn banden lek, slopen er onderdelen vanaf of hij is opeens mysterieus verdwenen, om hm de volgende dag in een boom te zien hangen/liggen.

    Ze wachten me op.

    Elke dag.

    Elke verdomde schooldag.

    Alsof ze niets beters te doen hebben.

    Alsof ze het leuk vinden om me te kleineren. Alsof ze daar hun pleziertje van de dag uit halen. Wat is er zo leuk aan? Ze wachten me met een groep op. Weten precies mijn rooster. Het is bijna eng. Ze weten ALTIJD waar ik ben. Echt werkelijk ALTIJD.
    Misschien verbeeld ik het me ook wel. Maar overal waar ik loop – als ik van mijn moeder naar de supermarkt moet, of naar de bibliotheek ga- , lijkt het alsof ik hun schimmen zie wegflitsen achter een struik. Verstopt, zodat ze, als het moment daarvoor is aangebroken, toe kunnen slaan.
    Alsof ze een rooster hebben van mensen om me elke dag te volgen. Het maakt me gek. Soms denk ik dat ik waanbeelden zie.

    Maar dat kan ik niet bevestigen. Ik ‘betrap’ ze nooit echt. Hoe vaak ik ook achterom kijk. Het drijft me langzaam tot waanzin. Je zult zeggen dat ik het me verbeeld. Dat zou elk ‘gezond’ mens doen. Oh fuck. Nou begin ik helemaal te trillen. Sorry voor mijn onleesbare handschrift. Sorry. Sorry. Sorry.
    Oh Fuck. Nu huil ik ook nog. Nu verkloot ik het al helemaal. Ik kan ook niks goed doen. Ze hebben allemaal gelijk. Allemaal. Stuk voor stuk.
    Oh godver. Nu weet ik niks meer uit te brengen. De blauwe plekken van gister doen heel veel pijn. Ik durf mijn moeder niet om paracetamol te vragen. Ze heeft me dan vast door. Ze mag het niet weten. Niemand mag het weten. Ze mogen er zich niet mee bemoeien! Ik los het zelf wel op!

    ..

    Oh boy, dit is niet goed. Ik zou positief blijven. Sorry. Alweer.
    Ik verkloot het.
    Zie je wel dat ik nooit iets goed kan doen? Je kan gewoon niet positief blijven over mij.

    Het spijt me,


    I don’t live.
    I'll just have to survive the way to and back from school.


    Dear Harry,

    De Aarde is plat, ik sta aan de afgrond en ik kan naar beneden zien. Het is één groot zwart gat. Ik balanceer op één voet en weet nog net mijn evenwicht te houden, maar schijn bedriegt. Voor een luttele seconde lijkt het net goed te gaan, maar dan val ik er hopeloos in.

    I don't live.
    I just survive.
    But I can’t.

    Het spijt me,


    Ik-vorm, Sci-Fi, verleden tijd. (SA)
    ‘Welkom iedereen. Welkom op deze bijzondere datum, 31 december 5086, waar onze zestienjarigen van dit jaar hun partner toegewezen krijgen. Mijn naam is Hettie Flum. Om het nog even kort uit te leggen, wat ons partnerschap betekend. Met deze partner is het de bedoeling dat je twee kinderen krijgt. Deze geslachten hangen af van je eigen geslacht. Ben je een jongen, dan krijg je twee jongens. Ben je een meisje, dan krijg je twee meisjes, maar ik neem aan dat jullie dat zelf ook wel weten.’
    Er werd instemmend geknikt, terwijl ik nerveus om me heen keek. Was ik hier wel klaar voor? Over twee jaar, op mijn achttiende, moest ik al in verwachting zijn voor mijn eerste kindje. Aan die gedachte alleen al, om een wezen op Aarde te zetten, raakte ik al in paniek. Nee. Ik was hier zo niet klaar voor.
    De vrouw, wiens naam ik alweer vergeten was, vervolgde haar jaarlijkse preek verder. ‘Alle namen worden op alfabetische volgorde opgelezen. Dus schatjes, jullie komen vanzelf wel aan de beurt.’ Dat laatste had ze duidelijk tegen het groepje meiden, dat gretig vooraan stond. Deze hadden elk pornoblond haar, waren slank gebouwd en hadden een laag make-up op. Deze ophef was eigenlijk helemaal niet nodig, aangezien de computer besloot wie bij wie ze zouden horen. Dit ging door middel van een persoonlijkheidstest, die we op ons zestiende verjaardag hadden volbracht. Nerveus friemelde ik aan de lichtblauwe stof van mijn jurk. Op deze speciale dag droeg ik een lange, lichtblauwe maxi-jurk, met daaronder zilverkleurige hakken. Mijn bruine haren had mijn moeder in een rommelige knot opgestoken. Van mijn vader, moeder en zusje, had ik thuis al afscheid genomen. Na deze verwantschap zou ik namelijk gelijk mijn spullen moeten pakken en uit huis gaan, omdat mijn partner en ik een eigen huisje kregen.
    ‘We doen om en om.’ Voor een moment stopte ze, waarschijnlijk om de spanning wat op te bouwen.
    ‘Aëla Adams wordt toegewezen aan Marjanne Sugg.’ Toevallig kenden Aëla en Marjanne elkaar, dus zij keken elkaar vrolijk aan. Ze liepen naar elkaar toe, kusten elkaar op de mond en verlieten de zaal. Ik glimlachte ze na. Ze hadden het getroffen met elkaar.
    ‘Aaron Smith, wordt toegewezen aan Joëy Harkims.’ Zo ging ze een tijdje verder, totdat ze bij de Q kwam. Waar mijn achternaam mee begon.
    ‘Louisa Qara. Wordt toegewezen aan Mara Harkins. Annabeth Quinn, wordt toegewezen aan-’ midden in de zin stopte ze met praten en keek met grote ogen naar het papier. Ze gebaarde naar een man die aan de zijkant van het podium stond en zachtjes praatten ze met elkaar, terwijl ze met heftige gebaren naar het papier wees. Mijn handen werden ondertussen helemaal klam van het zweet, terwijl ik niet om me heen probeerde te kijken. Ik voelde de blikken van de anderen op me brandden. Wat was er aan de hand? Er waren gelukkig niet veel mensen in de zaal, maar het voelde alsof het er met de minuut warmer werd. Voorzichtig veegde ik mijn handen af aan de stof van mijn jurk. We mochten niet spreken, maar dat maakte de onaangename stilte die er al was, nog ongemakkelijker. ‘-Warren Riss,’ vervolgde ze haar zin.

    Ik hapte naar adem.

    En keek de vrouw met grote, verbaasde ogen aan. Mijn ogen schoten van links naar rechts, terwijl er zachtjes geroezemoes opstreek. Dit kon niet waar zijn. Was ik Hetero? Waarom ik? Ik had inderdaad nog nooit wat voor meisje gevoeld, maar dit moest een fout zijn. Toen ik voorzichtig een blik op Warren wierp, bleek hij al even geschokt te zijn als ik. In zijn blik was paniek en angst te lezen, want hij wist wat deze toekomst met zich meebracht. Iedereen zou ons laten vallen, we zouden worden verstoten door onze familie en vrienden en boven alles; We zouden nooit, maar dan ook nooit kinderen kunnen krijgen.
    ‘Weet u dat heel zeker? Ik weet zeker dat ik een Homo ben.’ Die woorden staken me recht in mijn hart. Ik zag zijn gezicht betrekken toen de vrouw ernstig knikte.
    ‘Het spijt me, maar wat de computer zegt, moeten we hanteren. We kunnen er niks aan doen, mijn kind.’ Hallo?! Ik stond hier ook nog! Net alsof ik dit leuk vond. Zomaar met een jongen gedropt worden. Zonder nog wat te zeggen, begon ik iedereen opzij te duwen en stormde de zaal uit. Weg. Ik moest weg hier. Ik had frisse lucht nodig. En een sigaret, besloot ik.
    Ik rookte niet veel, maar op sommige momenten had ik er echt één nodig. Zoals nu.
    ‘Anna, wacht!’ Het was Warren zijn stem, die verwoede pogingen deed om me tegen te houden.
    ‘Wat?!’ Abrupt stopte ik, waardoor hij keihard tegen me aan knalde en we beiden op de grond vielen. -Inclusief met Warren op mij. Chagrijnig keek ik hem aan, terwijl mijn ogen begonnen te prikken.
    ‘Wist ik veel, oké?’ Een traan ontsnapte bij mijn rechteroog, waar Warren een kus opdrukte. Verschrikt wendde ik mijn hoofd naar links af. ‘W-Wat doe je?’
    ‘Ik heb je altijd al leuk gevonden, Anna. Altijd. Ik wist dat ik Hetero was.’ Ik maakte een raar geluidje.
    ‘Kijk niet zo geschokt.’
    ‘D-Dus je bent echt H-Hetero?’ ik kreeg het woord nog maar net over mijn lippen heen. Het voelde vies. Smerig. Ik werd er misselijk van.
    ‘Ja.’ Hij boog zijn hoofd naar voren en keek me grijnzend aan. ‘Ik krijg nog steeds een kus van jou. Traditie, weet je wel?’ Bang knikte ik, terwijl mijn ogen paniekerig heen en weer schoten. Warren kwam nog dichterbij, maar net voordat zijn mond de mijne raakte, hoorden we een verbaasde, hoge gil.
    ‘Ze zijn Hetero! Pak ze!’ Zonder naar ze te kijken, duwde ik Warren in een mum van tijd van me af en zette het op een rennen. Ik wist wie het waren. Het waren die huppelkutjes die zonet vooraan stonden. De kliek die altijd bij elkaar was.
    ‘Anna, Wacht op mij!’ Warren probeerde me bij te houden, wat hem niet lukte. Ik had een lang uithoudingsvermogen, omdat ik veel hardliep.
    ‘Anna? Noemt hij je al Anna? Wat schattig!’ Tranen liepen over mijn wangen heen, terwijl ik alsmaar verder rende. Warren achter me latend. Toen ik om mijn schouder heen keek, om te kijken wat voor voorsprong ik had, struikelde ik over een loszittende steen, waarbij er een scheur in mijn jurk ontstond. Sorry mam.
    ‘Grijp haar!’ Ik snikte, terwijl de tranen over mijn wangen heen stroomden. Maar het was al te laat om nog op te staan en mezelf te verweren. De eerste klappen kwamen al snel en er verschenen zwarte vlekken in mijn blikveld, waar ik al snel helemaal ingezogen werd.


    Hij/Zij-vorm,Sci-Fi, verleden tijd. (Geen proloog, maar een begin van een verhaal)

    Het meisje wat met snelle, haastige voetstappen voorovergebogen over de straat heen liep, vloekte even toen de eerste regendruppels op haar ijskoude gezicht terechtkwamen. Vlug pakte ze het mondkapje uit haar jaszak en deed hem snel, vanwege de giftige gassen die vrijkwamen met de regen, om. Eigenlijk had ze het masker al om moeten doen toen ze haar huis verliet. Het was sinds twee jaar geleden wettelijk verplicht geworden, maar ze moest er nog steeds heel erg aan wennen en vergat hem dus regelmatig. Het meisje hoestte een paar keer heel kort achter elkaar aan, terwijl ze haar pas versnelde. Ze lette niet op de auto’s die langs haar over de weg heen raasden. Het nare gevoel wat langzaam omhoog kroop, dwars door al haar botten en ledematen heen, negeerde ze.
    De boodschap die ze over moest brengen was belangrijk. Een zaak van leven op dood. Letterlijk.
    Doordat ze zo voorovergebogen door de straat heen liep, merkte ze niet dat er een auto, vlak achter haar afremde en uiteindelijk een paar meter achter haar stopte. Twee forsgebouwde mannen stapten geluidroos uit de auto en volgden het meisje met snelle, stille passen. Toen ze bij het meisje aankwamen, handelden ze razendsnel. In nog niet eens een fractie van een seconde hadden ze haar al overmeesterd, voordat ze ook nog maar een roep om hulp over haar zachte roze lippen kon schreeuwen. Er was verder niemand op straat, de bestuurders in auto’s die langs haar reden schonken geen aandacht aan haar of hadden haar gewoonweg niet gezien. Kortom; ze was hulpeloos. Ze bood nog enige weerstand, maar stopte er al snel mee toen ze inzag dat het geen nut meer had.
    Ze werd ruw bij haar schouders beetgepakt en naar de auto toe gesleurd. Eén van de mannen opende de schuifdeur van de auto en tilde haar met gemak erin. De man toonde geen medelijden toen hij zag dat er enkele tranen over haar wangen, die roze kleurden door de kou heen liepen en deed de deur met een harde klap weer dicht. De man ging vervolgens op de bijrijderstoel voorin zitten.
    ‘Rijden maar.’
    De twee simpele woorden die de man sprak hadden grote gevolgen. Twee simpele woorden die vervolgens nog negen keer herhaald zouden worden. Ze zouden negen verschillende families kapot maken. Verwoesten. Heel Nederland zou er, zonder dat ze het in de eerste instantie door zouden hebben, van genieten.

    Op klaarlichte dag, zijn in Amsterdan tien mensen verdwenen zonder dat iemand ook maar een hand uitstak om ze te helpen. De wereld is veranderd, mensen zijn egoïstisch geworden en denken alleen nog maar aan zichzelf, dat was allang bekend, maar wat er nu zou gebeuren had niemand ooit nog in zijn stoutste dromen kunnen dromen. De mensen in Nederland waren echt in staat om op mensen te gaan stemmen, zodat de dood hun volgt. Puur, voor hun eigen leedvermaak. Letterlijk ten kostte van iemands leven.

    -

    Een ietwat oudere man, zat met opgetrokken wenkbrauwen naar de televisie te kijken. Ze hadden van de overheid bericht gekregen dat ze een extra nieuwsbericht gingen uitzenden en dat ze die verplicht waren om te kijken. De nieuwslezeres, een jonge vrouw, keek ernstig in de camera. De man keek haar verwonderend aan en vroeg zich af wat er nou zo belangrijk zou zijn dat om elf uur ’s avonds gemeld moest worden. Had dat niet even tot de volgende dag kunnen wachten? Hij was nogal moe en was van plan om vroeg naar bed te gaan. De klus die ze vandaag hadden uitgevoerd had zijn tol geëist. Hij was ook niet meer één van de jongste.

    ‘Zoals jullie weten is dit een extra nieuwsbericht. Dit komt doordat er vandaag, in Amsterdam tien tieners zijn verdwenen. Op klaarlichte dag zijn ze een zwart busje ingetrokken. De politie adviseert alleen nog maar naar buiten te gaan als het echt nodig is. Blijf zoveel mogelijk binnen tot dat er meer informatie bekend is over deze zaak. Na dit bericht verschijnen de foto’s van de tien mensen die verdwenen zijn. Als iemand meer weet over deze ontvoeringen, word hij of zij geacht om zo snel mogelijk naar het onderstaande telefoonnummer te bellen. Een fijne avond nog toegewenst.’

    De nieuwslezeres verdween uit het beeld en de eerste foto’s verschenen al op het beeldscherm. De man keek er maar met een half oog naar, tot dat zijn oog op één van de foto’s viel. Hij vloekte, greep naar zijn mobiele telefoon en toetste een nummer in.
    ‘Fuck, Simon. Onze opdracht loopt in gevaar. Dat meisje is ontvoerd! We komen diep in de problemen als ze dat briefje ontdekken wat ze bij zich heeft!’
    ‘Relax, het komt wel goed.’
    ‘Nee, godverdomme! Onze zaak loopt in gevaar!’ Hij tierde. Ze hadden die boodschap nooit aan dat meisje moeten toevertrouwen. Hij had het al geen goed idee gevonden en dit bewees het maar weer. Toen de man een lange pieptoon hoorde, wist hij dat zijn handlanger had opgehangen. Woest liep hij naar het kastje dat in de hal stond, graaide er zijn pistool uit, deed snel zijn jas aan en zwaaide de deur met een harde klap achter zich dicht.



    Holy shit 3641 woorden. Dat was nou ook weer niet mijn bedoeling^^

    [ bericht aangepast door Scribe op 21 juli 2014 - 3:03 ]


    Wie durft te verdwalen, zal nieuwe wegen vinden!

    erg gaaf! maar ik wete henog niet zeker of ik mee wil doen.


    He said my life's a bore. So quit my whining cause it's bringing her down.

    Scribe schreef:
    Ik heb wel interesse! Zal morgenochtend, als ik een laptop tot mijn beschikking heb, het lijstje wel even invullen. (: Aangezien ik toch niet kan slapen en klaarwakker ben:

    Naam: Scribe/Tialda (Bijnaam is over het algemeen Ti)
    Leeftijd: 19
    Heb je toevallig al ideeën voor dit verhaal? Nog niet, maar aangezien ik waarschijnlijk toch de hele nacht wakker ben, zal ik even gaan brainstormen.
    De kinderen van Firuzeh zijn de overwinnaars,
    zeker van hart en scherp van geest.
    Bahadur duidt degenen met de kracht en geest
    van een krijger aan tot de zijnen.
    Azarakhsh' zonen en dochters zijn onbezonnen
    en gevaarlijk als een storm.
    En Atash kiest hen die branden.
    - Uit de oude geschriften
    van de Kinderen van het Lot.

    Firuzeh, Bahadur, Azarakhsh en Atash, zijn dat leiders of Goden? Als het leiders zijn, kun je evt doen dat ze een queeste met elkaar moeten volbrengen o.i.d Wil je er een beetje romantiek in? Of vooral Actie? Dan kun(nen) je/we doen dat ze tegen elkaar moeten strijden. Of je kunt een cross-over doen. Dus dat een meisje/iemand van deze wereld naar die wereld komt(Op wat voor manier weet ik nog niet), (voor een queeste) en van alle vier 'rijken?' iemand ontmoet die haar met haar opdracht helpen. Ook zouden we/je bij elk hoofdstuk iets Uit de oude geschriften kunnen schrijven (net zoals de edelsteen trilogie).
    Ik weet het nog niet helemaal, maar ik zal hier nog wel verder over nadenken. Dit klinkt wel heel erg interessant.^^

    In welke tijd en persoon schrijf je het liefst? Het allerliefste schrijf ik in ik-persoon, verleden tijd (vrouw), maar tegenwoordige tijd kan ook. (Hoewel er dan wel kans is dat ik dt fouten kan maken. Dat geef ik eerlijk toe.)
    Heb je ervaring? Ja, ik heb ervaring met schrijven, al zeg ik het zelf. In de afgelopen jaren dat ik schrijf heb ik heel wat ervaring opgedaan en ik begin nu mijn eigen schrijfstijl te ontdekken en het genre wat ik leuk vind. (Sci-Fi/Fantasy/Horror/Thriller)
    Extra: Ik heb zelf What's app en evt. Skype. Via app kunnen we evt. ook via voice messengers gemakkelijker communiceren. (of gewoon tekst, kan ook)
    - Ik kan niet elke dag schrijven. Hooguit één a twee keer in de week. Mijn stukjes zijn meestal tussen de (minimaal) 400/500 en 800 woorden. Bij hoge uitzondering rond de duizend, maar dat komt zelden tot nooit voor.

    Hier heb ik wat stukjes over wat ik (zoal) het afgelopen jaar heb geschreven:

    Ik-vorm, tegenwoordige tijd.

    De kleuren van Ailith.
    De stad Ailith, is verdeeld in twee groepen. Mensen met bruine ogen en mensen met groene ogen.
    Alexis, een zeventienjarig meisje, heeft groene ogen. Op een dag ontmoet ze Collin, een jongen met bruine ogen. Alexis leeft in het rijke gedeelte van de stad, Collin niet. Ze leven in twee verschillende werelden; de één met veel regels en discipline, en de ander vrij en onbezorgd. Rijk en arm.
    Er ontstaat echter een onmogelijke, verboden vriendschap die langzaam overgaat in liefde. Als er op een dag een zeventienjarig meisje, genaamd Grace, voor hun neus opduikt, ontdekken ze dat er veel meer verboden dingen in en rondom de stad rondgaan. Grace heeft namelijk blauwe ogen. Een verboden oogkleur.

    Langzaam stapelen de problemen zich op. Alexis en Collin worden ontdekt. Ze vluchten, op zoek naar Grace. Ze had het over een verzetskamp, waarin ze leeft. Na lang zoeken komen ze erachter dat het verzetskamp onder de stad gevestigd is. Er zijn nog niet veel mensen die in het verzetskamp leven, maar een begin is er. Het begin van een opstand is begonnen.
    Zelf heb ik groene ogen. Smaragdgroen om precies te zijn. Omdat ik groene ogen heb, woon ik dan ook in het midden van Ailith, de stad waarin ik woon. De Binnenstad heet het. Hier wonen alle mensen met groene ogen. Groene ogen hebben is heel belangrijk, want anders kom je niet levend de grens over naar De Binnenstad. De Binnenstad is afgescheiden van de Buitenwijken, door middel van een hoge muur. Om de muur heen zit nog prikkeldraad.
    Ik heb in mijn hele leven en dat is om precies te zijn zeventien jaar, nog maar één iemand die uit de Buitenwijken komt, gezien. Dat duurde echter maar heel kort, want hij werd op dat moment op het plein berecht. Hij was kennelijk de bewaking te slim af en is hier, in de Binnenstad gekomen. Ik voel me sinds dien niet meer veilig. De muur die ons van elkaar afhoudt, beschermt ons tegen hun. Maar als één door de bewaking komt, zullen er vast wel meer komen. Zomenteen is iedereen uit de Buitenwijken hier. Gelukkig is de man nu dood, hij is van zijn leven beroofd door middel van een simpel schot door zijn hoofd. Ik weet nog hoe hij in elkaar zakte en hoe de klap klonk, toen hij met zijn hoofd op de vloer terecht kwam. Ik weet nog hoe zijn ogen mij mijne doorkruisten. Vrijwel alle glans was er meteen uit. Ik krijg nog steeds de rillingen als ik er aan denk. Ze hebben zijn lichaam nog drie dagen laten liggen. Iedereen liep er met een grote boog omheen. Niet alleen de misselijk makende geur die er om heen hing, was niet te harden, maar de man was de tweede nachts ook aangevreten door dieren. Er is gespeculeerd dat het ratten waren, maar niemand heeft daar het bewijs van. Hier in Ailith zijn nooit ratten. Waarschijnlijk is de man daarom weggehaald, omdat hij helemaal aangevreten was. Delen misten uit zijn lichaam en het lag in kleine aangevreten stukjes om hem heen. Wat er daarna met de man is gebeurd weet niemand, maar er is tot heden aan toe, niemand van de Buitenwijken meer over de muur geklommen.
    Ik ben dan ook aan het wandelen, zo dicht mogelijk bij de muur. De muur biedt me bescherming. Ik vind het ronduit interessant. Het beangstigt en fascineert me tegelijk. Wat me fascineert? De muur zelf natuurlijk niet. Die is gewoon van steen gemaakt. Niks bijzonders aan. De geluiden die van achter de muur te horen zijn, dat fascineert me. Ik probeer er een beeld in mijn hoofd bij te bedenken. Wat zijn ze aan het doen? Hoe zien ze eruit? Zijn ze aan het wandelen, net zoals ik, of zijn ze boodschappen aan het doen? Misschien gaan ze wel naar vrienden toe.
    Eigenlijk zijn het mijn zaken niet. Dat weet ik dondersgoed, want de grenswachters kijken me altijd afkeurend aan. Het zijn mijn zaken niet en ik mag me er niet mee bemoeien. Hun blikken vertellen me al genoeg. Ze hoeven het niet eens te zeggen.
    De grenswachters negerend, loop ik het voetpad af, naar huis toe. Ailith heeft vrij oude gebouwen, vooral de kerken. Er zijn er twee, één in de Buitenwijken en één hier, in de Binnenstad. Je hoort de klokken, elk uur, om en om luiden. Die van ons is hoog en luid, waar je ook in de Binnenstad bent, je hoort hem luid en duidelijk. Die van de Buitenwijken is vrij zacht en hoor je pas als je echt goed luistert.


    Ik-vorm (brieven, vooral gedachte omschrijvingen) (stukje uit fanfic)
    Dear Harry,

    De weg naar school en van school weer terug is een hel. Het is niet zover fietsen, dat niet. Het zijn maar tien minuutjes. Dat is echt niet het ergste. Het ergste is dat ik het de helft van het jaar moet lopen. Ze steken mijn banden lek, slopen er onderdelen vanaf of hij is opeens mysterieus verdwenen, om hm de volgende dag in een boom te zien hangen/liggen.

    Ze wachten me op.

    Elke dag.

    Elke verdomde schooldag.

    Alsof ze niets beters te doen hebben.

    Alsof ze het leuk vinden om me te kleineren. Alsof ze daar hun pleziertje van de dag uit halen. Wat is er zo leuk aan? Ze wachten me met een groep op. Weten precies mijn rooster. Het is bijna eng. Ze weten ALTIJD waar ik ben. Echt werkelijk ALTIJD.
    Misschien verbeeld ik het me ook wel. Maar overal waar ik loop – als ik van mijn moeder naar de supermarkt moet, of naar de bibliotheek ga- , lijkt het alsof ik hun schimmen zie wegflitsen achter een struik. Verstopt, zodat ze, als het moment daarvoor is aangebroken, toe kunnen slaan.
    Alsof ze een rooster hebben van mensen om me elke dag te volgen. Het maakt me gek. Soms denk ik dat ik waanbeelden zie.

    Maar dat kan ik niet bevestigen. Ik ‘betrap’ ze nooit echt. Hoe vaak ik ook achterom kijk. Het drijft me langzaam tot waanzin. Je zult zeggen dat ik het me verbeeld. Dat zou elk ‘gezond’ mens doen. Oh fuck. Nou begin ik helemaal te trillen. Sorry voor mijn onleesbare handschrift. Sorry. Sorry. Sorry.
    Oh Fuck. Nu huil ik ook nog. Nu verkloot ik het al helemaal. Ik kan ook niks goed doen. Ze hebben allemaal gelijk. Allemaal. Stuk voor stuk.
    Oh godver. Nu weet ik niks meer uit te brengen. De blauwe plekken van gister doen heel veel pijn. Ik durf mijn moeder niet om paracetamol te vragen. Ze heeft me dan vast door. Ze mag het niet weten. Niemand mag het weten. Ze mogen er zich niet mee bemoeien! Ik los het zelf wel op!

    ..

    Oh boy, dit is niet goed. Ik zou positief blijven. Sorry. Alweer.
    Ik verkloot het.
    Zie je wel dat ik nooit iets goed kan doen? Je kan gewoon niet positief blijven over mij.

    Het spijt me,


    I don’t live.
    I'll just have to survive the way to and back from school.


    Dear Harry,

    De Aarde is plat, ik sta aan de afgrond en ik kan naar beneden zien. Het is één groot zwart gat. Ik balanceer op één voet en weet nog net mijn evenwicht te houden, maar schijn bedriegt. Voor een luttele seconde lijkt het net goed te gaan, maar dan val ik er hopeloos in.

    I don't live.
    I just survive.
    But I can’t.

    Het spijt me,


    Ik-vorm, Sci-Fi, verleden tijd. (SA)
    ‘Welkom iedereen. Welkom op deze bijzondere datum, 31 december 5086, waar onze zestienjarigen van dit jaar hun partner toegewezen krijgen. Mijn naam is Hettie Flum. Om het nog even kort uit te leggen, wat ons partnerschap betekend. Met deze partner is het de bedoeling dat je twee kinderen krijgt. Deze geslachten hangen af van je eigen geslacht. Ben je een jongen, dan krijg je twee jongens. Ben je een meisje, dan krijg je twee meisjes, maar ik neem aan dat jullie dat zelf ook wel weten.’
    Er werd instemmend geknikt, terwijl ik nerveus om me heen keek. Was ik hier wel klaar voor? Over twee jaar, op mijn achttiende, moest ik al in verwachting zijn voor mijn eerste kindje. Aan die gedachte alleen al, om een wezen op Aarde te zetten, raakte ik al in paniek. Nee. Ik was hier zo niet klaar voor.
    De vrouw, wiens naam ik alweer vergeten was, vervolgde haar jaarlijkse preek verder. ‘Alle namen worden op alfabetische volgorde opgelezen. Dus schatjes, jullie komen vanzelf wel aan de beurt.’ Dat laatste had ze duidelijk tegen het groepje meiden, dat gretig vooraan stond. Deze hadden elk pornoblond haar, waren slank gebouwd en hadden een laag make-up op. Deze ophef was eigenlijk helemaal niet nodig, aangezien de computer besloot wie bij wie ze zouden horen. Dit ging door middel van een persoonlijkheidstest, die we op ons zestiende verjaardag hadden volbracht. Nerveus friemelde ik aan de lichtblauwe stof van mijn jurk. Op deze speciale dag droeg ik een lange, lichtblauwe maxi-jurk, met daaronder zilverkleurige hakken. Mijn bruine haren had mijn moeder in een rommelige knot opgestoken. Van mijn vader, moeder en zusje, had ik thuis al afscheid genomen. Na deze verwantschap zou ik namelijk gelijk mijn spullen moeten pakken en uit huis gaan, omdat mijn partner en ik een eigen huisje kregen.
    ‘We doen om en om.’ Voor een moment stopte ze, waarschijnlijk om de spanning wat op te bouwen.
    ‘Aëla Adams wordt toegewezen aan Marjanne Sugg.’ Toevallig kenden Aëla en Marjanne elkaar, dus zij keken elkaar vrolijk aan. Ze liepen naar elkaar toe, kusten elkaar op de mond en verlieten de zaal. Ik glimlachte ze na. Ze hadden het getroffen met elkaar.
    ‘Aaron Smith, wordt toegewezen aan Joëy Harkims.’ Zo ging ze een tijdje verder, totdat ze bij de Q kwam. Waar mijn achternaam mee begon.
    ‘Louisa Qara. Wordt toegewezen aan Mara Harkins. Annabeth Quinn, wordt toegewezen aan-’ midden in de zin stopte ze met praten en keek met grote ogen naar het papier. Ze gebaarde naar een man die aan de zijkant van het podium stond en zachtjes praatten ze met elkaar, terwijl ze met heftige gebaren naar het papier wees. Mijn handen werden ondertussen helemaal klam van het zweet, terwijl ik niet om me heen probeerde te kijken. Ik voelde de blikken van de anderen op me brandden. Wat was er aan de hand? Er waren gelukkig niet veel mensen in de zaal, maar het voelde alsof het er met de minuut warmer werd. Voorzichtig veegde ik mijn handen af aan de stof van mijn jurk. We mochten niet spreken, maar dat maakte de onaangename stilte die er al was, nog ongemakkelijker. ‘-Warren Riss,’ vervolgde ze haar zin.

    Ik hapte naar adem.

    En keek de vrouw met grote, verbaasde ogen aan. Mijn ogen schoten van links naar rechts, terwijl er zachtjes geroezemoes opstreek. Dit kon niet waar zijn. Was ik Hetero? Waarom ik? Ik had inderdaad nog nooit wat voor meisje gevoeld, maar dit moest een fout zijn. Toen ik voorzichtig een blik op Warren wierp, bleek hij al even geschokt te zijn als ik. In zijn blik was paniek en angst te lezen, want hij wist wat deze toekomst met zich meebracht. Iedereen zou ons laten vallen, we zouden worden verstoten door onze familie en vrienden en boven alles; We zouden nooit, maar dan ook nooit kinderen kunnen krijgen.
    ‘Weet u dat heel zeker? Ik weet zeker dat ik een Homo ben.’ Die woorden staken me recht in mijn hart. Ik zag zijn gezicht betrekken toen de vrouw ernstig knikte.
    ‘Het spijt me, maar wat de computer zegt, moeten we hanteren. We kunnen er niks aan doen, mijn kind.’ Hallo?! Ik stond hier ook nog! Net alsof ik dit leuk vond. Zomaar met een jongen gedropt worden. Zonder nog wat te zeggen, begon ik iedereen opzij te duwen en stormde de zaal uit. Weg. Ik moest weg hier. Ik had frisse lucht nodig. En een sigaret, besloot ik.
    Ik rookte niet veel, maar op sommige momenten had ik er echt één nodig. Zoals nu.
    ‘Anna, wacht!’ Het was Warren zijn stem, die verwoede pogingen deed om me tegen te houden.
    ‘Wat?!’ Abrupt stopte ik, waardoor hij keihard tegen me aan knalde en we beiden op de grond vielen. -Inclusief met Warren op mij. Chagrijnig keek ik hem aan, terwijl mijn ogen begonnen te prikken.
    ‘Wist ik veel, oké?’ Een traan ontsnapte bij mijn rechteroog, waar Warren een kus opdrukte. Verschrikt wendde ik mijn hoofd naar links af. ‘W-Wat doe je?’
    ‘Ik heb je altijd al leuk gevonden, Anna. Altijd. Ik wist dat ik Hetero was.’ Ik maakte een raar geluidje.
    ‘Kijk niet zo geschokt.’
    ‘D-Dus je bent echt H-Hetero?’ ik kreeg het woord nog maar net over mijn lippen heen. Het voelde vies. Smerig. Ik werd er misselijk van.
    ‘Ja.’ Hij boog zijn hoofd naar voren en keek me grijnzend aan. ‘Ik krijg nog steeds een kus van jou. Traditie, weet je wel?’ Bang knikte ik, terwijl mijn ogen paniekerig heen en weer schoten. Warren kwam nog dichterbij, maar net voordat zijn mond de mijne raakte, hoorden we een verbaasde, hoge gil.
    ‘Ze zijn Hetero! Pak ze!’ Zonder naar ze te kijken, duwde ik Warren in een mum van tijd van me af en zette het op een rennen. Ik wist wie het waren. Het waren die huppelkutjes die zonet vooraan stonden. De kliek die altijd bij elkaar was.
    ‘Anna, Wacht op mij!’ Warren probeerde me bij te houden, wat hem niet lukte. Ik had een lang uithoudingsvermogen, omdat ik veel hardliep.
    ‘Anna? Noemt hij je al Anna? Wat schattig!’ Tranen liepen over mijn wangen heen, terwijl ik alsmaar verder rende. Warren achter me latend. Toen ik om mijn schouder heen keek, om te kijken wat voor voorsprong ik had, struikelde ik over een loszittende steen, waarbij er een scheur in mijn jurk ontstond. Sorry mam.
    ‘Grijp haar!’ Ik snikte, terwijl de tranen over mijn wangen heen stroomden. Maar het was al te laat om nog op te staan en mezelf te verweren. De eerste klappen kwamen al snel en er verschenen zwarte vlekken in mijn blikveld, waar ik al snel helemaal ingezogen werd.


    Hij/Zij-vorm,Sci-Fi, verleden tijd. (Geen proloog, maar een begin van een verhaal)

    Het meisje wat met snelle, haastige voetstappen voorovergebogen over de straat heen liep, vloekte even toen de eerste regendruppels op haar ijskoude gezicht terechtkwamen. Vlug pakte ze het mondkapje uit haar jaszak en deed hem snel, vanwege de giftige gassen die vrijkwamen met de regen, om. Eigenlijk had ze het masker al om moeten doen toen ze haar huis verliet. Het was sinds twee jaar geleden wettelijk verplicht geworden, maar ze moest er nog steeds heel erg aan wennen en vergat hem dus regelmatig. Het meisje hoestte een paar keer heel kort achter elkaar aan, terwijl ze haar pas versnelde. Ze lette niet op de auto’s die langs haar over de weg heen raasden. Het nare gevoel wat langzaam omhoog kroop, dwars door al haar botten en ledematen heen, negeerde ze.
    De boodschap die ze over moest brengen was belangrijk. Een zaak van leven op dood. Letterlijk.
    Doordat ze zo voorovergebogen door de straat heen liep, merkte ze niet dat er een auto, vlak achter haar afremde en uiteindelijk een paar meter achter haar stopte. Twee forsgebouwde mannen stapten geluidroos uit de auto en volgden het meisje met snelle, stille passen. Toen ze bij het meisje aankwamen, handelden ze razendsnel. In nog niet eens een fractie van een seconde hadden ze haar al overmeesterd, voordat ze ook nog maar een roep om hulp over haar zachte roze lippen kon schreeuwen. Er was verder niemand op straat, de bestuurders in auto’s die langs haar reden schonken geen aandacht aan haar of hadden haar gewoonweg niet gezien. Kortom; ze was hulpeloos. Ze bood nog enige weerstand, maar stopte er al snel mee toen ze inzag dat het geen nut meer had.
    Ze werd ruw bij haar schouders beetgepakt en naar de auto toe gesleurd. Eén van de mannen opende de schuifdeur van de auto en tilde haar met gemak erin. De man toonde geen medelijden toen hij zag dat er enkele tranen over haar wangen, die roze kleurden door de kou heen liepen en deed de deur met een harde klap weer dicht. De man ging vervolgens op de bijrijderstoel voorin zitten.
    ‘Rijden maar.’
    De twee simpele woorden die de man sprak hadden grote gevolgen. Twee simpele woorden die vervolgens nog negen keer herhaald zouden worden. Ze zouden negen verschillende families kapot maken. Verwoesten. Heel Nederland zou er, zonder dat ze het in de eerste instantie door zouden hebben, van genieten.

    Op klaarlichte dag, zijn in Amsterdan tien mensen verdwenen zonder dat iemand ook maar een hand uitstak om ze te helpen. De wereld is veranderd, mensen zijn egoïstisch geworden en denken alleen nog maar aan zichzelf, dat was allang bekend, maar wat er nu zou gebeuren had niemand ooit nog in zijn stoutste dromen kunnen dromen. De mensen in Nederland waren echt in staat om op mensen te gaan stemmen, zodat de dood hun volgt. Puur, voor hun eigen leedvermaak. Letterlijk ten kostte van iemands leven.

    -

    Een ietwat oudere man, zat met opgetrokken wenkbrauwen naar de televisie te kijken. Ze hadden van de overheid bericht gekregen dat ze een extra nieuwsbericht gingen uitzenden en dat ze die verplicht waren om te kijken. De nieuwslezeres, een jonge vrouw, keek ernstig in de camera. De man keek haar verwonderend aan en vroeg zich af wat er nou zo belangrijk zou zijn dat om elf uur ’s avonds gemeld moest worden. Had dat niet even tot de volgende dag kunnen wachten? Hij was nogal moe en was van plan om vroeg naar bed te gaan. De klus die ze vandaag hadden uitgevoerd had zijn tol geëist. Hij was ook niet meer één van de jongste.

    ‘Zoals jullie weten is dit een extra nieuwsbericht. Dit komt doordat er vandaag, in Amsterdam tien tieners zijn verdwenen. Op klaarlichte dag zijn ze een zwart busje ingetrokken. De politie adviseert alleen nog maar naar buiten te gaan als het echt nodig is. Blijf zoveel mogelijk binnen tot dat er meer informatie bekend is over deze zaak. Na dit bericht verschijnen de foto’s van de tien mensen die verdwenen zijn. Als iemand meer weet over deze ontvoeringen, word hij of zij geacht om zo snel mogelijk naar het onderstaande telefoonnummer te bellen. Een fijne avond nog toegewenst.’

    De nieuwslezeres verdween uit het beeld en de eerste foto’s verschenen al op het beeldscherm. De man keek er maar met een half oog naar, tot dat zijn oog op één van de foto’s viel. Hij vloekte, greep naar zijn mobiele telefoon en toetste een nummer in.
    ‘Fuck, Simon. Onze opdracht loopt in gevaar. Dat meisje is ontvoerd! We komen diep in de problemen als ze dat briefje ontdekken wat ze bij zich heeft!’
    ‘Relax, het komt wel goed.’
    ‘Nee, godverdomme! Onze zaak loopt in gevaar!’ Hij tierde. Ze hadden die boodschap nooit aan dat meisje moeten toevertrouwen. Hij had het al geen goed idee gevonden en dit bewees het maar weer. Toen de man een lange pieptoon hoorde, wist hij dat zijn handlanger had opgehangen. Woest liep hij naar het kastje dat in de hal stond, graaide er zijn pistool uit, deed snel zijn jas aan en zwaaide de deur met een harde klap achter zich dicht.



    Holy shit 3641 woorden. Dat was nou ook weer niet mijn bedoeling^^


    Ik vind je ideeën al erg leuk ^^
    Blijkbaar was ik wel al half aan het slapen toen ik dit topic opende: in eerste instantie waren Firuzeh, Bahadur, Azarakhsh en Atash goden in een soort Oud-Perzische maatschappij, met heel erg toegewijde volgelingen die elkaar niet mochten en overal voortekenen van hun "ouder"-godheid zagen. "De kinderen van het Lot" zijn dan de "oude" volgelingen, degenen die door één god gekozen werden, maar iedereen zag als zijn/haar broeder en zuster. De "nieuwe" volgelingen zijn een stuk radicaler.
    Maar aangezien ik met dat idee al een aantal weken telkens vastloop, ben ik meer dan bereid dat wat aan te passen.

    Later ga ik je bericht nog eens goed doorlezen, want ik heb het momenteel behoorlijk druk met mijn vakantiewerk (;

    [ bericht aangepast door Vasya op 21 juli 2014 - 8:49 ]


    “You’re a storyteller. Dream up something wild and improbable. Something beautiful and full of monsters."

    Dus de goden staan voor een soort van facties? Kenmerken die de bevolking indelen?


    Le Beau n’est que la promesse du bonheur | Will you dance, dear Emma? | page 28

    Celestine schreef:
    Dus de goden staan voor een soort van facties? Kenmerken die de bevolking indelen?


    Zoiets achtig. Al kunnen hun volgelingen ook wel degelijk afstammelingen zijn, al dan niet in een erg verre graad. Ook hebben hun kinderen wel méér dan één eigenschap, dus niet zoals in Divergent óf slim, óf dapper enz... (Dit is even wat brainstormen, staat nog niet vast)
    Maar dit alles staat nog open voor discussie. Dus als je liever iets anders met dit verhaal doet... (;

    [ bericht aangepast door Vasya op 21 juli 2014 - 10:32 ]


    “You’re a storyteller. Dream up something wild and improbable. Something beautiful and full of monsters."

    Naam: Aletheia/Ingrid
    Leeftijd: 13
    Heb je toevallig al ideeën voor dit verhaal? Nou, ik vond de ideeën van Scribe behoorlijk goed, dat was eigenlijk ook waar ik aan zat te denken... Misschien dat iemand per ongeluk in contact komt met een sekte, of een groep fanatieke gelovigen, die de oude goden vereren. Deze proberen terug te gaan in de tijd, naar een tijd waarin de goden meer macht hadden, en langzaam wordt de hoofdpersoon meegezogen in de organisatie, terwijl hij/zij probeert de sekte te stoppen. Of dat die sekte probeert de goden op te roepen, maar dat de onderlinge verdeeldheid (vanwege de verschillende goden, de verschillende groepen) voor veel problemen zorgt.
    In welke tijd en persoon schrijf je het liefst? Ik-vorm, tegenwoordige tijd, maar verleden tijd schrijft ook fijn. Aan de andere kant lijkt het me wel leuk om eens een andere schrijfstijl te proberen. Ik heb een paar korte verhalen in de hij-vorm geschreven, dat was leuk om te doen.
    Heb je ervaring? Ik schrijf sinds mijn zesde korte verhalen, sinds mijn zevende zit ik op Quizlet. Toen plaatste ik nog geen verhalen, maar ik las wel heel veel, en van dat lezen heb ik voor mijn gevoel veel geleerd. Ik heb ook wel een eigen schrijfstijl ontwikkeld. Dus ja, ik heb denk ik wel ervaring.
    Extra: Ik schrijf meestal tussen de 800 en de 1800 woorden, soms net iets langer. Ik vind het altijd leuk om persoonlijke dingen en ervaringen in mijn verhalen te verwerken, soms prop ik er ook nog wat Zweeds tussen. Communicatie zal vooral via Quizlet moeten gaan, privé berichten etc.

    Met tranende ogen keek het kleine meisje naar de vlammen, die haar geliefde boeken in as veranderden. Ze klommen steeds hoger en vulden de kleine, bedompte kamer met een verstikkende hitte. De vlammen werden weerspiegeld in de donkere ogen van het meisje, dat inmiddels haar tranen liet lopen. Ze wist dat ze niet veel langer in de kamer kon blijven; het vuur werd steeds groter en zou niet bij de boekenkast halt houden. Ze wist dat ze binnenkort bij een verkoolde stapel hout zou staan, de resten van haar thuis. Als ze niet zelf tussen het hout zou liggen, nauwelijks meer dan een klein hoopje as.
    Langzaam zette ze een paar stappen naar achteren. Ze wilde naar buiten rennen en alles achterlaten, maar ze stopte vlak bij de deur, met haar hand op een paar centimeters afstand van de deurklink. Een paar verschroeide haren waren eromheen geknoopt. Het meisje, nauwelijks ouder dan tien jaar, kon haar blik niet wegscheuren van de glimmende, koud uitziende deurklink. Ze wist wat die haren betekenden. De amnogagh waren hier geweest toen zij in het bos speelde, en haar ouders zou ze niet meer kunnen vinden, waar ze ook zou zoeken. Ze waren voor eeuwig weg, opgenomen in de vergetelheid.
    De tranen glommen op de wangen van het meisje, haar donkerbruine haren leken bijna zwart door het roet en haar smalle gezichtje werd verlicht door de vlammen, die inmiddels aan de muren likten. Lange tongen strekten zich uit en verdeelden zich over de kamer, het warme licht flakkerde. Langzaam kwamen de hongerige vlammen dichter bij het meisje; hun nieuwe prooi. Het meisje draaide zich met een paniekerige gezichtsuitdrukking om en keek naar de gezichten die zich hadden gevormd in het vuur, zodra haar oog op de haren was gevallen. Ze wilde wegrennen en keihard gillen, maar ze kon het niet. Langzaam voelde ze een vreemde vastberadenheid in haar opborrelen. Ineens was het haar allemaal duidelijk. Ze had geen reden meer om nog te leven.
    Met een minzaam lachje keek ze naar de gezichten. Ze verroerde zich niet toen de eerste vlammen haar bereikten.


    Het was koud die ene nacht, sneeuw dwarrelde naar beneden en landde op het puntje van een klein neusje, nauwelijks zichtbaar door de lagen sjaals die om het gezicht van het meisje waren gewikkeld. Het bos was stil, de inmiddels van de bomen gevallen bladeren kraakten zachtjes onder de voeten van de duizenden mannen en vrouwen die door het bos trokken. Het meisje was de jongste van ze allemaal, maar ze was tegelijkertijd de belangrijkste. Ze was de sleutel tot vrede.
    Aragon was al jaren verdeeld. Je had de Dagmensen, de mensen die al jaarhonderden op aarde woonden, en de Nachtmensen: een volk ontstaan uit de schaduwen, duizenden jaren geleden. Het verhaal van Aragon was ingewikkeld, aangezien er twee kanten waren, met ieder een eigen verhaal. Degene die de geschiedenis van Aragon toch zou willen weten, zou het verhaal zelf moeten samenstellen. De meest geloofwaardige delen uit de beide verhalen pikken en daar een geheel van maken. Uiteindelijk zou hier een wirwar van helden, vergane tijden en hoop uit voort zijn gekomen. En veel vernietiging. Heel veel vernietiging.


    Monsters, of Cilresica, zijn een apart ras op aarde, in de toekomst. Ik heb dit en jaar geleden geschreven, dit is het eerste door mij gepubliceerde hoofdstuk op Quizlet.
    Zonder op of om te kijken loop ik met vlugge passen door de legerbasis. Op weg naar mijn sollicitatiegesprek. Mijn haar is bedekt, ik heb er een doek omheen gewonden. Anders zal het me verraden. Mijn ogen zijn nog steeds een groot probleem waar ik geen oplossing voor heb gevonden. Ze zijn donkergroen met felgroene strepen die zich verspreiden vanuit mijn pupil. Te opvallend. En een Cilresica mag nóóit opvallen.
    Ik vervolg mijn weg, tussendoor aangestaard door mannen die voor hun tenten zitten. Ik zucht geërgerd. Ik had nog zo tegen mijn vader gezegd dat dit een slecht idee was, dat ik te veel zou opvallen. Zijn argument was dat de mannen en vrouwen in het leger getraind zijn om Cilresica, of Monsters, te kunnen weerstaan, het zou ze waarschijnlijk niet eens opvallen als ik iets probeerde, ze voelen de magie van de Monsters niet meer. Ze moeten wel als ze de jungle intrekken. Toen mijn vader dat vertelde had ik met zijn plan ingestemd, overtuigd dat dit de beste manier was om te overleven. Nu ik hier ben begint de twijfel weer toe te slaan.
    Eenmaal in het midden van de legerbasis aangekomen zie ik de hoofdtent onmiddellijk staan en met zelfverzekerde stappen loop ik erop af. Met opgetrokken wenkbrauwen kijk ik naar het belletje dat is bevestigd aan de rand van de flap die als deur dient. Waarom hebben ze die? Moet ik die serieus gaan gebruiken? Ik besluit het belletje gewoon te negeren, ze hebben me tenslotte verteld dat ik gewoon naar binnen kan stappen. Ik duw de flap naar achteren en glip naar binnen.
    De koelte in de tent slaat me in het gezicht en opgelucht slaak ik een zucht. Dit is zo veel beter dan de verstikkende hitte buiten. Aan een ronde tafel zitten drie mannen te praten, maar hun gesprek verstomt als ze me zien. Ik knik ze aarzelend toe, alle zekerheid die ik net nog had is verdwenen als sneeuw voor de zon. Is dit wel een goed idee? Stel dat ze ontdekken dat ik een Cilresica ben, wat moet ik dan doen? Mijn krachten inzetten zou een optie zijn, maar dat wil ik zo veel mogelijk vermijden. Ik zou kunnen proberen te vluchten, maar dat gaat moeilijk met alle bewakers... Ik moet hier niet aan denken, het gewoon niet zo ver laten komen dát ik hierover na moet denken.
    "Ik ben hier om te solliciteren voor het leger, ik ben vandaag vijftien geworden," zeg ik, proberend mijn stem krachtig te laten klinken om een goede eerste indruk te maken. Het is hopeloos, ik klink als een bang, verdwaald hondje. Vaarwel goede eerste indruk.


    Alles zal ooit vergeten worden, hoe belangrijk het ook mag zijn geweest.

    Naam: Jitske
    Leeftijd: 13
    Heb je toevallig al ideeën voor dit verhaal? Ja, over iemand die buiten die wereld valt, of een gevallen god die naar aarde moest en zijn/haar factie en status terugwil.
    In welke tijd en persoon schrijf je het liefst? Ik-vorm, tegenwoordige tijd.
    Heb je ervaring? Ik schrijf al sinds mijn 8e, maar op Quizlet zit ik pas net.
    Extra: Ik post niet zo vaak, 1 keer per week ofzo, misschien iets vaker. Ik communiceer alleen via Quizlet, ivm privacy.

    Wacht even, ik ga nog op zoek naar stukjes die ik heb geschreven.

    [ bericht aangepast door Thangurel op 21 juli 2014 - 10:56 ]


    Not all those who wander are lost.

    Dit zijn HP-fanfics, ik heb momenteel niks beters.
    Het gaat vooral om de schrijfstijl en de persoon en tijd waarin het geschreven is.

    Hij-vorm, verleden tijd (dat kan ik het minst goed):

    The man behind the church

    Het is feest in de kerk, dat merk je meteen. Er is veel geroep, gejuich en geklap te horen als dicht in de buurt van het kleine dorpskerkje komt. Er is overduidelijk een bruiloft aan de gang. Twee Dreuzelkinderen van ongeveer zes en zeven jaar oud, die eerst aan het spelen waren maar toen de feestgeluiden hoorden, renden naar het kerkje toe.
    ‘Rick, wat is daar aan de hand?’ vroeg Oscar met grote ogen.
    ‘Ik weet het niet, zullen we door het raam kijken?’ stelde Rick voor, die duidelijk de oudste was en dan ook de leiding nam over dit nieuwe avontuur.
    Ze slopen om de kerk heen en gluurden door het glas van de lage ramen. Het leek wel alsof de kerk in twee helften was verdeeld. Aan de ene kant zat een keurige familie, die de aandacht beslist niet naar hen toe trokken; ze glimlachten, snikten in zakdoeken en klapten beleefd en bovenal bescheiden.
    Aan de andere kant zat ook een hele familie, die zich veel uitbundiger gedroeg. Ze lieten hun tranen de vrije loop en veegden die, weliswaar elegant maar toch, met de achterkant van hun hand af. Ze lachten, klapten en juichten voor het echtpaar dat elkaar kust, en nu langzaam naar de deur loopt. Twee jonge bruidsmeisjes houden de sleep van de knappe, roodharige bruid vast.
    ‘Er is een bruiloft,’ fluisterde Oscar, die met grote ogen naar binnen keek.
    ‘Ja, net zoals bij tante Margrit,’ antwoordde Rick.
    Ze slopen weer om de kerk heen om te kunnen zien hoe het bruidspaar eruit kwam. De twee klein jongens staarden met alleen hun hoofd om de hoek naar de prachtige witte bruidsjurk en de slordige haren van de bruidegom. De man die de getuige moest zijn liep vlak achter hen en toen hij de jongens zag, die meteen knalrood werden, knipoogde hij, streek zijn halflange zwarte haar uit zijn gezicht en stootte de bruidegom aan. Die trakteerde hen ook op een gulle lach.
    De jongetjes lachten verlegen terug, vaststellend ze vandaag het allerbeste avontuur ooit hadden beleefd. Wat een gezellig feest, en wat een pracht en praal! Maar toen de stoet voorbij trok, en daarmee ook het geluid verdween, hoorden ze gesnik.
    ‘Huilt de kerk?’ vroeg Oscar fronsend.
    ‘Nee joh, een kerk kan niet huilen,’ wees Rick hem terecht. ‘Kom we gaan kijken!’
    Bang wrong Oscar zijn zijn hand in die van Rick en samen liepen ze naar de achterkant van de kerk, en gluurden opnieuw om het hoekje.
    Rick had gelijk. Kerken kunnen niet huilen. Op een stenen bankje achter de kerk, zat een huilende man. Hij had vet zwart haar, een bleke huid en zat voorover gebogen met zijn gezicht in zijn handen. Tranen drupten tussen zijn vingers door, en vielen op de foto aan zijn voeten. Oscar kneep zijn ogen op spleetjes, hij herkende de vrouw op de foto. Toen wist hij het. Het was een foto van de bruid.

    Geschreven op maandag 02/06/2014, 486 woorden.


    Ik-vorm, tegenwoordige tijd (dit kan ik het best):

    Paars fluweel
    Ik ben zo goed als onzichtbaar, terwijl ik helemaal vooraan zit. Het is niet dat ik een spreuk gebruikt heb of iets dergelijks, helemaal niet. Ik val gewoon niet op, aangezien ik de geur van geit van me af heb gewassen voor de gelegenheid. Mijn broer zou het fijn gevonden hebben.
    Het feit dat we onze sterke band van vroeger nooit hebben kunnen heropbouwen doet me extra verdriet.
    Vroeger haatte ik hem nog wel eens, maar dat verdween toen ik erachter kwam dat hij ook niet wist wie Ariana had vermoord en het mij daarom nooit verteld heeft. Als ik eerder had geweten hoeveel Albus hierom heeft geleden, dan had ik me niet zo tegen hem gedragen en zijn neus nooit gebroken. Dan was ik vriendelijk tegen hem geweest en had ik dingen misschien van een ander perspectief bekeken, en had ik ingezien dat hij was veranderd; volwassen en rechtvaardig was geworden alle belachelijk ideeën van zich af had gezet.
    Hier kwam ik pas achter nadat ik zag hoe Albus het graf van mama en Ariana verzorgde, toen ik het een keer bezocht. Toen pas ik realiseerde ik dat ondanks het feit Albus getalenteerd en zeer intelligent was en dat veel mensen tegen hem opkeken, niet veel heeft gedaan voor de manier waarop hij zichzelf zag. Het incident met Ariana kwelde hem de rest van zijn leven lang, en heeft hem beetje bij beetje vermoord, voor hij pas echt van de toren afviel.

    Ja, nu heb ik verdriet om mijn grote broer. Nu heb ik verdriet om hem, ik mis hem, ondanks alles. 150 jaar was hij, maar hij had nog wel even mogen blijven. We hebben hem nodig in de komende tijd. Ík heb hem nodig de komende tijd, de laatste Perkamentus…
    Ik blijf zitten, wacht tot iedereen weg is en alleen Hagrid en Groemp nog zitten te snikken en sta dan op. Beheerst loop ik naar de witte marmeren tombe. Ik pak zwijgend mijn toverstok en laat zonder met mijn ogen te knipperen de deksel van de tombe opstijgen. Ik negeer Hagrids geschokte woorden en Groemps gegrom. Dit is mijn broer.
    Ik dwing mezelf te kijken, zonder kijken kan ik niet doen wat moet gebeuren, en moet even slikken als ik Albus’ lichaam zie liggen.
    Ondanks het feit dat hij vermorzeld is door zijn val ziet hij er normaal uit. Het is net alsof hij slaapt, zijn ogen gesloten en zijn halfronde brilletje rust op zijn kromme neus. De herinnering aan zijn kleine broertje die hij de rest van zijn leven met zich mee heeft gedragen. Tranen stromen over mijn gezicht en het kost veel moeite om het niet uit te gieren.
    Ik haal twee voorwerpen uit mijn zak, die ik speciaal voor Albus heb gemaakt. Het zijn met de hand uit eikenhout gesneden beeldjes. Een feniks, misschien wel Felix, en een geit.
    Ik leg ze op zijn borst, dichtbij zijn hart. Mogen ze hem beschermen, Albus, mijn broer.

    493 woorden, woensdag 04/06/2014




    [ bericht aangepast door Thangurel op 21 juli 2014 - 11:04 ]


    Not all those who wander are lost.

    Naam:
    Fren, aangenaam.
    Leeftijd:
    14
    Heb je toevallig al ideeën voor dit verhaal?
    Mag ik je dat PB'en?
    In welke tijd en persoon schrijf je het liefst?
    Ik-vorm, tegenwoordig. Maar ik sta altijd open voor nieuwe uitdagingen.
    Heb je ervaring?
    Ik schrijf al anderhalf jaar, denk ik. Niet echt veel, dus.
    Extra:
    Communicatie zal via Q verlopen, als dat niet stoort. Voor fragmenten van mijn schrijfstijl verwijs ik je graag door naar mijn profiel.


    Le Beau n’est que la promesse du bonheur | Will you dance, dear Emma? | page 28

    Hehe, ik had niet verwacht dat ik nu nog WiFi zou hebben. In elk geval, ik heb alles eens doorgelopen en ik heb mijn keuze gemaakt. Ik wil als eerste zeggen dat ik alle inzendingen erg goed vond en ze allemaal serieus heb overwogen, maar in twee van de ideeën kon ik me toch het beste vinden.
    Daarom heb ik dus twee co-writers gekozen. Deze zijn Scribe en Aletheia. Vanavond stuur ik jullie verdere informatie door. De anderen wil ik bedankem voor hun inzending, maar meer dan twee co-writers vind ik te veel (;


    “You’re a storyteller. Dream up something wild and improbable. Something beautiful and full of monsters."

    Oh wat leuk! (:


    Wie durft te verdwalen, zal nieuwe wegen vinden!