• Na lang overleg en heel wat denkwerk is het de betareaders eindelijk gelukt om een degelijk overzicht klaar te spelen om jullie wat beter te kunnen helpen bij het schrijven van een verhaal!
    Dit account is er om al jullie vragen te beantwoorden!
    Je vindt op ons profiel de grammatica en spelling terug in storyvorm, daar kan je al je vragen kwijt en wij beantwoorden ze zo goed als mogelijk.
    Polls zijn er meer om ons te laten zien wat wij zelf nog moeten verbeteren om jullie beter te kunnen helpen.
    In blogs worden alle bèta's netjes aan jullie voorgesteld en komen vragen en antwoorden te staan.
    Vragen en suggesties kunnen jullie kwijt in ons gastenboek.

    Verder wensen alle bèta's jullie uiteraard nog veel schrijfplezier en hopelijk kunnen jullie iets met de volgende regeltjes!


    Grammatica- en Spellingstopic

    1.Meervoud
    -s of ‘s
    Als er geen probleem is bij het uitspreken schrijf je de s aan het zelfstandige naamwoord.
    Vb; vakanties, studies

    -iën of ieën
    Als de klemtoon op de laatstelettergreep valt, wordt er een e bijgevoegd.
    Vb; Industie – industrieën.
    In het andere geval, als de klemtoon op de tweede lettergreep ligt, is het iën.
    Vb; Bacterie – bacteriën.
    ! Als een woord eindigt op twee e’s, wordt er gewoon ën toegevoegd.
    Vb; idee – ideeën.

    -verdubbeling medeklinker
    Let hier vooral op waar de klemtoon ligt. Is de laatste klinker een lange, dan is er meestal geen verdubbeling. Is het een korte, dan is er wel een verdubbeling.
    !Let erop dat bij; oe, ui, au… nooit een verdubbeling is!
    Vb; mus – mussen.

    -Enkele of dubbele klinker
    Als je een lange klinker hebt, kan het zijn dat deze in het meervoud soms wordt afgebroken.
    Vb; aap – apen


    2.Samenstellingen
    Als het eerste zelfstandig naamwoord van de samenstelling een bestaand meervoud heeft in ‘en’, komt er meestal een tussen ‘n’.
    Vb; boekenkast

    Maar!
    -Als het woord alleen is in zijn soort, krijgt deze geen ‘n’
    Vb; maneschijn

    -Als het eerste woord niet letterlijk is of een versterkende betekenis geeft
    Vb; beresterk


    3.Verkleinwoorden
    Taxietje (want twee i’s gaat niet)
    Logeetje (vergelijk met het meervoud: logés!)
    Cakeje (Engelse woorden krijgen een Nederlandse behandeling)
    Baby’tje (De y krijgt altijd een apostrof)
    CD’tje (bij afkortingen schrijven we altijd een apostrof)
    Krijg je een uitspraakprobleem, dan verdubbelt de klinker:
    Vb ; Opaatje, fotootje


    4.De bezitsvorm
    1) Bij een woord dat eindigt op een enkele klinker (a, e, i, o, u, y) wordt 's toegevoegd.
    Vb: opa's jas
    Maar, na de toonloze e, na de é en na combinaties van klinkers schrijf je gewoon s.
    Vb: tantes jas, Melanies jas
    2) Een naam die eindigt op een sisklank krijgt enkel een apostrof.
    Vb: Alex' jas
    Een naam die eindigt op een z of x die niet wordt uitgsproken, krijgt een s.
    Vb: Dutrouxs jas

    5.Hoofdletters
    Aan het begin van elke zin of aanhaling!
    Bij de zinnen die beginnen met ‘s, ’t of ‘n, krijgt de tweede letter de hoofdletter.
    Bij getallen vooraan in de zin, hoort nergens een hoofdletter.
    Eigennamen, aardrijkskundige namen en feestdagen met een hoofdletter.

    !Bij afleidingen van feestdagen of eigennamen horen geen hoofdletters!
    Sinds de nieuwe spelling horen de tijdperken en windrichtingen niet langer met een hoofdletter geschreven te worden.


    6.Lidwoorden
    In de Nederlandse taal bestaan er drie lidwoorden en twee soorten lidwoorden. De bepaalde lidwoorden (de, het) en het onbepaald lidwoord (een).
    We hebben dan wel twee bepaalde lidwoorden, maar een duidelijk verschil op vlak van gebruik is er niet. Je moet gewoon weten wat ‘de’ woorden zijn en wat ‘het’ woorden zijn. Hier bestaan geen duidelijke richtlijnen over. Het wordt meestal gebruikt voor onzijdige zelfstandige naamwoorden, maar dan heb je uitzonderingen (denk maar aan ‘het meisje’) die de regel in verwarring brengen.
    Een stuk simpeler is het onbepaald lidwoord. Deze kan bij alle zelfstandige naamwoorden komen te staan, en er is helemaal geen regel aan verbonden (mits het om het enkelvoud gaat natuurlijk).


    7.Werkwoorden
    *D/T
    Neem eerst en vooral de stam van het werkwoord (de ik-vorm).
    Vb; vinden
    de stam: vind (ik vind)
    Dan heb je bepaalde regels die je moet toepassen.
    Hij – vindt, Zij – vindt, Het - vindt
    Bij die drie vormen schrijf je een dt. Dus stam+t. (vind+t)
    Bij 'jij' schrijf je een t (dus jij vindt), maar er zijn uitzonderingen.
    Als je 'je' in een zin kan veranderen door 'jij' en het achter het werkwoord staat, schrijf je de stam.
    Bv: Vind je die broek ook zo mooi?
    Hier kan je 'je' door 'jij' vervangen.
    Vind jij die broek zo mooi?
    Maar er zijn dus ook gevallen waar je dt moet schrijven.
    Bv: Vindt je broer die broek mooi?
    Hier kan je 'je' niet vervangen door 'jij'.
    Dan wordt het: Vindt jouw broer die broek ook mooi?
    Hier schrijf je dus een dt.

    Bij normale werkwoorden waarbij de stam niet op een d eindigt, schrijf je altijd stam+t.
    Dus bv: slapen
    Stam: ik slaap
    Bij jij, hij, zij en het komt hier altijd een t bij (behalve natuurlijk als het draait om de uitzonderingen rond de jij/je. Zie vorige regel weer!).

    Nou, je hebt persoonsvorm en je hebt voltooid deelwoord.
    Vb: Dat gebeurt vaker.
    Het persoonsvorm hier is 'gebeurt'.
    'dat gebeurt'
    Het onderwerp doet hier iets.
    Een voltooid deelwoord is na 'hebben' of 'zijn'.
    Vb: Dat is gebeurd.
    Hier is 'gebeurd' geen persoonsvorm meer.
    'is' is hier de persoonsvorm.
    Vb: Ik heb gespeeld.
    'heb gespeeld'
    Dus gespeeld is hier een voltooid deelwoord.

    Dus je hebt een verschil tussen persoonsvorm en voltooid deelwoord.
    Bij een persoonsvorm gebruik je stam+t en bij een voltooid deelwoord gebruik je 't kofschip. 't kofschip houdt in dat als een van de medeklinkers aan het eind van de stam voorkomt, je altijd een voltooid deelwoord met een t schrijft. Is er geen letter te vinden van het woordje 't kofschip (het gaat hier om de letters: tkfschp) bij de laatste letter van de stam, dan schrijf je er altijd een d achteraan.
    Om het even allemaal wat duidelijker te maken hier wat voorbeeldjes:
    Hele werkwoord: gebeuren
    Stam (hele werkwoord - 'en'): gebeur
    Gebeur eindigt op een 'r'.
    De 'r' kun je niet terugvinden in 't kofschip.
    De letter komt er dus niet in voor.
    Dat betekent dat je dan een d moet schrijven bij het voltooid deelwoord.
    Voltooid deelwoord: gebeurd
    Persoonsvorm: gebeurt (ik-vorm + t)

    Nog een voorbeeld:
    Hele werkwoord: spelen
    Stam (spelen - 'en'): spel-
    De stam eindigt op de letter 'l'.
    De 'l' komt niet in 't kofschip voor.
    Dus je schrijft het per direct met een d als het een voltooid deelwoord is.
    Voltooid deelwoord: gespeeld.
    Dus als de stam van een woord niet op de letters tkfschpx eindigt, schrijf je altijd een d.
    Eindigt de stam wel op een van de genoemde letter, dan schrijf je een t.

    Nog een laatste voorbeeld:
    Hele werkwoord: drukken
    Stam (drukken - 'en'): drukk
    De stam eindigt op een 'k'.
    Dan gaan we weer de letters van 't kofschip af.
    En ja hoor, de letter 'k' komt erin voor.
    Dus het voltooid deelwoord van drukken eindigt met een t.
    Voltooid deelwoord: gedrukt

    *Tegenwoordige tijd
    -eerste persoon enkelvoud; stam
    -tweede persoon enkelvoud; stam + t (behalve als het onderwerp achter het werkwoord staat, dan gewoon de stam)
    -derde persoon enkelvoud; stam + t
    Meervoud; infinitief.

    *Verleden tijd.
    In de verleden tijd kan er nooit DT zijn! Dit kan je onthouden door het zinnetje: Nooit DT in de VT.
    Maar voor de rest maak je in de verleden tijd best gebruik van ’t kofschip + x. Als het werkwoord eindigt op één van de medeklinkers die voorkomen in dat woord, is het in de verleden tijd + te(n). In het andere geval + de(n).
    Let wel op bij onregelmatige werkwoorden. Hieronder vind je een lijst met de sterke werkwoorden:
    STERKE/ONREGELMATIGE WERKWOORDEN:

    Infinitief v.t Volt. deelw.
    bergen borg geborgen
    bidden bad gebeden
    bieden bood geboden
    beginnen begon begonnen
    bezwijken bezweek bezweken
    bijten beet gebeten
    binden bond gebonden
    blazen blies geblazen
    blijken bleek gebleken
    blijven bleef gebleven
    blinken blonk geblonken
    breken brak gebroken
    brengen bracht gebracht
    buigen boog gebogen
    delven dolf gedolven
    denken dacht gedacht
    bederven bedierf bedorven
    dingen dong gedongen
    doen deed gedaan
    dragen droeg gedragen
    bedriegen bedroog bedrogen
    verdrieten verdroot verdroten
    drijten dreet gedreten
    drijven dreef gedreven
    dringen drong gedrongen
    drinken dronk gedronken
    druipen droop gedropen
    duiken dook gedoken
    verdwijnen verdween verdwenen
    dwingen dwong gedwongen
    eten at gegeten
    fluiten floot gefloten
    gaan ging gegaan
    gelden gold gegolden
    vergeten vergat vergeten
    geven gaf gegeven
    gieten goot gegoten
    glijden gleed gegleden
    glimmen glom geglommen
    graven groef gegraven
    grijpen greep gegrepen
    hangen hing gehangen
    hebben had gehad
    heffen hief geheven
    helpen hielp geholpen
    hijsen hees gehesen
    houden hield gehouden
    houwen hieuw gehouwen
    kiezen koos gekozen
    uitverkiezen verkoos uit uitverkoren
    kijken keek gekeken
    kijven keef gekeven
    klimmen klom geklommen
    klinken klonk geklonken
    knijpen kneep geknepen
    komen kwam gekomen
    kopen kocht gekocht
    krijgen kreeg gekregen
    krijten kreet gekreten
    krimpen kromp gekrompen
    kruipen kroop gekropen
    kwijten kweet gekweten
    laten liet gelaten
    lezen las gelezen
    liegen loog gelogen
    verliezen verloor verloren
    liggen lag gelegen
    lijden leed geleden
    lijken leek geleken
    lopen liep gelopen
    luiken look geloken
    miegen meeg gemegen
    mijden meed gemeden
    moeten moest gemoeten
    mogen mocht gemogen
    nemen nam genomen
    genezen genas genezen
    genieten genoot genoten
    nijgen neeg genegen
    nijpen neep genepen
    pluizen ploos geplozen
    prijzen prees geprezen
    rijden reed gereden
    rijgen reeg geregen
    rijten reet gereten
    rijven reef gereven
    rinnen ron geronnen
    roepen riep geroepen
    ruiken rook geroken
    schelden schold gescholden
    schenden schond geschonden
    schenken schonk geschonken
    scheppen schiep geschapen
    scheren schoor geschoren
    schieten schoot geschoten
    schijnen scheen geschenen
    schijten scheet gescheten
    schrijden schreed geschreden
    schrijven schreef geschreven
    schrikken schrok geschrokken
    schuilen school gescholen
    schuiven schoof geschoven
    slaan sloeg geslagen
    slapen sliep geslapen
    slijpen sleep geslepen
    slijten sleet gesleten
    verslinden verslond verslonden
    slinken slonk geslonken
    sluipen sloop geslopen
    sluiten sloot gesloten
    smelten smolt gesmolten
    smijten smeet gesmeten
    snijden sneed gesneden
    snuiten snoot gesnoten
    snuiven snoof gesnoven
    spijten speet gespeten
    spinnen spon gesponnen
    splijten spleet gespleten
    spreken sprak gesproken
    springen sprong gesprongen
    spruiten sproot gesproten
    spuiten spoot gespoten
    staan stond gestaan
    steken stak gestoken
    stelen stal gestolen
    sterven stierf gestorven
    stijgen steeg gestegen
    stijven steef gesteven
    stinken stonk gestonken
    strijden streed gestreden
    strijken streek gestreken
    stuiven stoof gestoven
    tijgen toog getogen
    treden trad getreden
    treffen trof getroffen
    trekken trok getrokken
    vallen viel gevallen
    vangen ving gevangen
    vechten vocht gevochten
    bevelen beval bevolen
    vinden vond gevonden
    vlechten vlocht gevlochten
    vlieden vlood gevloden
    vliegen vloog gevlogen
    vlieten vloot gevloten
    vreten vrat gevreten
    vriezen vroor gevroren
    vrijen vree gevreeën
    wegen woog gewogen
    werpen wierp geworpen
    werven wierf geworven
    weten wist geweten
    wijken week geweken
    wijten weet geweten
    wijzen wees gewezen
    willen wou - (Wou is alleen spreektaal!)
    winden wond gewonden
    winnen won gewonnen
    worden werd geworden
    wrijven wreef gewreven
    wringen wrong gewrongen
    zeggen zei gezegd
    zenden zond gezonden
    zien zag gezien
    zijgen zeeg gezegen
    zijn was geweest
    zingen zong gezongen
    zinken zonk gezonken
    zinnen zon gezonnen
    zoeken zocht gezocht
    zitten zat gezeten
    zullen zou -
    zuigen zoog gezogen
    zuipen zoop gezopen
    verzwelgen verzwolg verzwolgen
    zwellen zwol gezwollen
    zwemmen zwom gezwommen
    zweren zwoer gezworen
    zwerven zwierf gezworven
    zwijgen zweeg gezwegen
    verzwinden verzwond verzwonden

    *Voltooid deelwoord.
    De laatste letter van het voltooid deelwoord vind je door de verleden tijd. Is dit +te(n) eindigt het woord op t. Anders op d. Alweer opgepast met de onregelmatige werkwoorden!

    *Gebiedende wijs
    Enkel de stam in dit geval.


    8.Aanhalingstekens
    1. Jan zei: "Piet komt niet."
    2. Jan vroeg: "Komt Piet niet?"
    3. Zei Jan: "Piet komt niet."
    4. Piet komt niet,” zei Jan.
    5. "Komt Piet niet?" vroeg Jan.
    6. "Piet,” zei Jan, "komt niet."
    7. “Piet komt niet,” fluisterde Jan.
    Als je een zin hebt die eindigt op een punt, gevolgd door zegt of iets in die aard, dan verandert dat punt in een komma. Het woord zegt of het woord in die aard krijgt dan geen hoofdletter: zie voorbeelden 4 en 7
    Als je een zin hebt die eindigt op een punt, maar er komt niets meer na, dan blijft dat punt er gewoon staan: zie voorbeelden 1 en 3.
    Uitroep– en vraagtekens blijven altijd staan op het einde van de zin: zie voorbeelden 2 en 5.
    Zei hij, zegt ze, vertelde ik, vroeg je etc. wordt na een zin tussen aanhalingstekens met een kleine letter geschreven. Zie voorbeelden 4, 5 en 7.


    9.Komma’s
    1) Tussen twee werkwoordsvormen die naast elkaar staan, maar niet bij elkaar horen, hoort een komma te staan. Bijvoorbeeld:
    De jongens die we zagen lopen, waren aan het lachen.
    2) Voor een bijvoeglijke bijzin (relatieve bijzin) die als een soort extra een algemene eigenschap noemt van het zelfstandig naamwoord dat eraan vooraf gaat, hoort een komma te staan. Bijvoorbeeld:
    De Duitse superster, die kennelijk met zijn gedachten ergens anders was, sloeg de ene dubbele fout na de andere.
    3) In een opsomming van meer dan twee elementen die niet puntsgewijs onder elkaar zijn gezet, gebruik je komma's na elk element, behalve het laatste. Bijvoorbeeld:
    Harrie houdt van boter, kaas en eieren.
    4)Voor 'en' en 'of' hoort geen komma te staan.
    5) Probeer zo min mogelijk komma's te zetten
    6) Zet geen komma op de plaats waar eigenlijk ‘en’ zou moeten staan, dus zet geen komma in plaats van het woord ‘en’.
    7) Als je twijfelt over het wel of niet gebruiken van een komma, kun je de zin hardop voorlezen. Waar je een pauze hoort, moet de komma staan.

    Uitzondering !
    Voor een bijvoeglijke bijzin die dient om wat eraan vooraf gaat, in te perken, hoort geen komma te staan. Bijvoorbeeld:
    De bomen die dood zijn (dus: alleen de dode bomen), hakken we om.


    10.Spatie na leesteken
    Na elk leesteken (punt, komma… ) moet een spatie komen!


    11.Jou/Jouw
    Voorbeelden:
    - Ken ik jou?
    - Is dat jouw zus?
    Jouw wordt dus gebruikt als er een zelfstandig naamwoord op volgt. Als je kunt zeggen dat dat zelfstandig naamwoord iemands bezit is. Bijvoorbeeld: jouw broek, jouw schrift…


    12. Woorden zoals mijn, zijn, eens
    Woorden zoals mijn, zijn en eens schrijf je niet zoals je ze moet uitspreken. Dus je moet het niet schrijven als men, zen en is, want dat is verkeerd. Mijn en zijn mag je trouwens ook niet schrijven als m'n en z'n, want dat is ook niet correct.


    13. Getallen
    Deze getallen moeten voluit geschreven worden:
    - getallen tot en met twintig
    - tientallen (dertig, veertig, vijftig)
    - getallen als honderd, duizend, miljoen...
    De rest wordt in cijfers uitgedrukt.

    14. Enters
    Er volgt een enter nadat iemand iets gezegd heeft, als:
    *Daarna iemand anders iets zegt.
    Bijvoorbeeld: 'Hallo, ik ben Piet,' zei Piet. -enter- 'Hallo, ik ben Jan,' vervolgde Jan. -enter- 'Leuk je te ontmoeten.'
    Nu weet je dat ‘Leuk je te ontmoeten’ weer door Piet wordt gezegd, omdat er een enter tussen staat; Jan is gestopt met spreken, de ander/de volgende is aan het woord.
    * Daarna een zin volgt met een ander persoon als onderwerp dan de persoon die iets gezegd heeft. Bijvoorbeeld: 'Hoe laat moeten we morgen op school zijn?' vroeg Piet. -enter- Jan haalde zijn schouders op.
    Als er geen 'vroeg Piet' had gestaan en er geen enter kwam na de zin die gezegd werd, lijkt het net of Jan die zin gezegd heeft. Dat is dus verwarrend.
    *Daarna een zin volgt met een onderwerp dat geen betrekking heeft op de persoon die iets gezegd heeft.
    Bijvoorbeeld: Piet vroeg wanhopig: ‘Wat moeten we nu doen?’ -enter- Jans handen trilden. Hij antwoordde: …
    Er hoeft geen enter te staan als het Piets handen waren of Piets stem.
    Zo’n enter komt er om verwarring te voorkomen, over wie wat gezegd heeft.


    15. Zelfde tijd in dezelfde alinea
    In één alinea moet je dezelfde tijd gebruiken, omdat het anders niet klopt.
    Dit is bijvoorbeeld fout:
    (...)




    16.Moeilijke woorden
    - Jongetje
    - Sowieso
    - Serieus
    - Misschien
    - Faillissement
    - Interview
    - Onmiddellijk
    - Nieuwsgierig
    - Portefeuille
    - Sommige
    - Abonnement
    - Tenminste
    - Chagrijnig

    [ topic verplaatst door een moderator ]

    [ topic verplaatst door een moderator ]

    [ bericht aangepast door Betareaders op 21 okt 2011 - 14:34 ]


    Wij helpen met het schrijven van stories!

    Athalie schreef:
    (...)
    Voor sommige wel.


    *sommigen


    'For what? You'll win her over with your rainbow kisses and unicorn stickers?' - Regina Mills

    Zo handig! (:
    _O_


    ,,I meant to behave, but there were too many other options. "

    Saaaaaaaaaaaaaaaaaaaaii ;s

    Al lees ik deze theorie goed door, ik maakt altijd fouten. Vooral met dt tte end of t op het einde van een woord -.-


    ~A smol bean who loves drawing doges and cates

    DeathWolf schreef:
    Al lees ik deze theorie goed door, ik maakt altijd fouten. Vooral met dt tt en d of t op het einde van een woord -.-

    Sta mij dan toe je te verbeteren:
    *ik maak altijd fouten.


    I hope you drown in all the cum you fucking swallow, to get yourself to the top.

    handig! handig! handig! nu nog mezelf ertoe dwingen het te lezen:P


    me: 5% reality, 95% dreams

    1. Jan zei: "Piet komt niet."
    2. Jan vroeg: "Komt Piet niet?"
    3. Zei Jan: "Piet komt niet."
    4. Piet komt niet,” zei Jan.
    5. "Komt Piet niet?" vroeg Jan.
    6. "Piet,” zei Jan, "komt niet."
    7. “Piet komt niet,” fluisterde Jan.
    Jan helemaal uitleggen dat Piet niet komt, haha!
    xD


    Some people are art and do art at the same time

    Alakay schreef:
    (...)
    Het is nieuwsgierig xd. Met een g dus en niet met sch.
    Maar: goed gedaan ^^


    die sch word vaak gedaan omdat men dan denkt dat het 'nieuw - schierig' is, maar het is eigenlijk 'nieuws gierig', gierigheid naar nieuws.


    It sounds like you have a narrow definition about being a hero. - John Diggle, Arrow.

    xCH0COLADEx schreef:
    Saaaaaaaaaaaaaaaaaaaaii ;s

    Dit is er niet voor niets op een schrijversite. :"D

    'Jou' en 'jouw' kan je ook onderscheiden door het te vervangen door 'mij' en 'mijn'. Als het 'mijn' is (mijn broek, mijn leven), is het 'jouW'. Als je het kan vervangen door 'mij' moet het 'jou' zonder w zijn. (:


    Bad decisions make good stories.

    Anarose schreef:
    'Jou' en 'jouw' kan je ook onderscheiden door het te vervangen door 'mij' en 'mijn'. Als het 'mijn' is (mijn broek, mijn leven), is het 'jouW'. Als je het kan vervangen door 'mij' moet het 'jou' zonder w zijn. (:


    Is het niet makkelijker te onthouden dat je jouw moet gebruiken als iets een bezit van iemand is? Jouw is namelijk een bezittelijk voornaamwoord en zo onthou ik het tenminste altijd:XHetzelfde geldt voor mij & mijn.


    "There’s no such thing as miracles, only the inevitable and the accidental – and what we do. I’ve always believed that.

    Destined schreef:
    (...)

    Is het niet makkelijker te onthouden dat je jouw moet gebruiken als iets een bezit van iemand is? Jouw is namelijk een bezittelijk voornaamwoord en zo onthou ik het tenminste altijd:XHetzelfde geldt voor mij & mijn.


    Ja, dat is inderdaad zo, maar voor degene die niet weten wat een bezittelijk voornaamwoord/zelfstandig naamwoord is, lijkt het me makkelijk om het gewoon te vervangen door mij en mijn. Is eigenlijk nog makkelijker, want je weet zeker dat je nooit de fout in gaat.


    Bad decisions make good stories.

    Anarose schreef:
    (...)

    Ja, dat is inderdaad zo, maar voor degene die niet weten wat een bezittelijk voornaamwoord/zelfstandig naamwoord is, lijkt het me makkelijk om het gewoon te vervangen door mij en mijn. Is eigenlijk nog makkelijker, want je weet zeker dat je nooit de fout in gaat.


    Nou ja, als ik een beetje op Q afga dan zie ik genoeg wie deze tip van jou goed kunnen gebruiken, ik hoop dat die gaat werken:O


    "There’s no such thing as miracles, only the inevitable and the accidental – and what we do. I’ve always believed that.

    Fel schijnt de laatste tijd ook een moeilijk woord te zijn. Ik zie telkens "vel" staan ipv fel.
    Meestal heb ik niet veel problemen met typ/spelfouten, maar dit is gewoon gelijk een ander woord. Stoort heel erg


    wie met beide benen op de grond blijft staan komt geen stap verder